Posts tonen met het label DNA. Alle posts tonen
Posts tonen met het label DNA. Alle posts tonen

vrijdag 14 februari 2014

'Is er een naam genoemd namens iemand voor wie zij kwam?'

Donderdag stonden twee getuigenverhoren gepland in het JCS op Schiphol. De vader van Nan Paul de B. en Geurt Roos, de dinsdag verhinderde beruchte voormalig bodyguard van Klaas Bruinsma, werden beide gehoord in de zaak Opa, aangaande de liquidatie van Tonny van Maurik. De enige aanwezige verdachte was Pinny Song. In de zaal zaten natuurlijk wel de raadslieden namens hun cliënten Nan Paul de B., die zelf vanwege een migraine-aanval in het Huis van Bewaring was gebleven, Freek Stevens, Jesse Remmers en Moppie Rasnabe. Als eerste kon de heer Nan Paul de B. sr. de rechtszaal betreden. Geurt Roos was nog onderweg.

Geurt Roos + Tonny van Maurik

De heer Nan Paul de B. is een nette bescheiden man voor wie het beslist geen dagelijkse kost is om in een zaak als Passage te moeten getuigen. De voorzitter nam de eed af en een van de andere raadsheren begon de eerste vragenronde. Veel vragen gingen over de periode dat Nan Paul in Amsterdam aan de Van Woustraat zou wonen. Althans dat was de plaats waar de vader van Nan Paul zijn zoon wel eens afzette bij de woning waar Nan Paul samen zou hebben gewoond in een appartementje met een vriendin, ene Mireille. Dat moet ongeveer zo'n 5 a 6 keer geweest zijn in de periode 1993, aldus de vader. Hij had de vriendin echter nog nooit ontmoet. Ze schijnt wel een keer bij de ouders thuis te hebben geslapen terwijl zij niet thuis waren. Wanneer dat precies was, wist de heer De B. niet precies.

Ook het verhoor van de heer De B. door de raadsheren kun je omschrijven als behoorlijk kritisch. Over de plek waar Nan Paul woonde, over de etage, over de plek waar z'n vader hem had afgezet, over de banen van Nan Paul, hoe Nan Paul op z'n werk kwam, welke wegen hij fietste, wel metrostation hij uitstapte, of hij filtersigaretten rookte, hoe lang Nan Paul zijn haar droeg destijds, zijn haarkleur, over zijn vriendenclubje uit 1993, (Jesse Remmers, Moppie Rasnabe, Freek Stevens, Yehudi S.) en of Nan Paul zijn rijbewijs had en wel eens in auto's reed.

De advocaten-generaal vroegen enkele keren of de heer De B. stukken had ingezien voor dit getuigen-verhoor. De heer de B. had wel zijn eigen verklaring uit 2008 doorgelezen en op een uitrekseltje na zou hij geen inzage hebben gehad in stukken, aldus De B. Het viel op, zo zei een van de raadsheren, dat de getuige aan de ene kant heel veel was vergeten en aan de andere kant dat hij sommige vragen wel precies wist te beantwoorden, terwijl je zou verwachten dat hij die nou juist wel zou moeten weten. Over een briefje dat is gevonden bij zijn zoon wist hij bijna niets te vertellen. (Dat ging over het briefje met de tekst 'Fuck it, life is too tough for me' en tekst die doet vermoeden alsof Nan Paul de B. nadacht over een deal met Justitie.) Het viel een raadsheer kennelijk op dat de vader daar zichtbaar moeite mee had om over te praten. De raadsheer vroeg waarom dat zo lastig was. De B. antwoordde dat dat was omdat hij de inhoud niet kent.

Mr. Geert-Jan Knoops, samen met Steven Post, de nieuwe advocaat van Nan Paul de B. stelde ook enkele vragen. Zou het kunnen dat de heer De B. zich niet zoveel kan herinneren uit die periode omdat het bedrijf waar hij in 1993 werkte failliet raakte en dat een periode was van veel zorgen om zijn baan? Dit ging met name over een verklaring die de heer De B. had afgelegd in 2008. Kennelijk kon de heer De B. zich in 2008 niet veel herinneren uit de periode waarin de liquidatie plaatsvond. De vader had wel gezegd dat hij zich niet kon voorstellen dat zijn zoon tot zo'n misdaad waar hij voor was aangehouden in staat was. Knoops: Wilde u dat daar mee uitdrukken? De B.: Ja, je kent je zoon door en door. Dat is iets waar ik hem niet voor aanzie.

De heer de B. kon gaan en de rechtbank riep Geurt Roos even binnen om te zeggen dat Geurt Roos iets te laat was en het Hof ook, dus dat streepte de voorzitter tegen elkaar weg, en dat het Hof eerst een kwartier ging pauzeren. Geurt Roos had kennelijk nogal moeten zoeken naar het JCS, maar het was uiteindelijk toch gelukt het complex te vinden en was nu aanwezig. Na de pauze werd Geurt Roos binnengeroepen. De grote Geurt was net als Rik Lam gekleed in een dik houthakkershemd. Hij begroette de aanwezigen en nam plaats midden voor het Hof.

Het verhoor van Geurt Roos ging net als bij Rik Lam voornamelijk over de ontmoeting met de prostituee Karin Swager die in café De Moezel kwam vragen of Rik Lam mensen wist om iemand te vermoorden. Geurt Roos gaf aan dat het wel erg lang geleden is. De raadsheer onderkende dat. De voorzitter wees Roos op het belang dat hij alleen dingen zou verklaren die hij nog zeker wist en om dat te onderstrepen liet hij Roos de eed afleggen, aldus de voorzitter. Na de eed vertelde Roos aan het Hof in een notedop wat er die keer gebeurde.

De raadsheer die Roos ging ondervragen zei: Ik neem aan dat u wel weet waarvoor u hier bent?
Geurt Roos: Ja, ik ben ooit een keer benaderd, althans ik zat toen met een toenmalige kennis wat te drinken in een café in Utrecht... ik denk dat het daarover gaat?
Raadsheer: Daar gaat het over ja. Dat is al heel wat jater terug,
Geurt Roos: Dat is mij altijd bij gebleven. Ik zat toen met een toenmalige vriend wat te drinken en toen komt er op een gegeven moment een vrouw binnen en die zegt tegen die andere man: 'Weet je iemand om iemand te vermoorden?' Ik denk: Hè?! Vermoorden?... Toen zeg ik tegen die vrouw: 'Das goed, dat kost 50 ruggen'. Ik denk: Wie komt er nou bij je: wil je iemand vermoorden? En vervolgens is die vrouw weer weggegaan en een maand of wat later moest ik bij de politie komen. Toen had die vrouw ik weet niet wat allemaal verklaard. Dus toen heb ik dat bevestigd, want ik wou natuurlijk niet in een moordonderzoek meedoen zeg maar, hahaha...
Raadsheer: Ja, nou heeft u zonder dat ik eigenlijk verder wat heb gevraagd de film even heel snel afgedraaid en nu wil ik even naar het begin van die film gaan en deze hier en daar even stilzetten en daar dan wat nader vragen over met u doornemen. Ehm, u verteld over de gebeurtenis in dat café, weet u nog wie dat waren die personen?
Geurt Roos: Die ene was Rik Lam en die vrouw, ja dat weet ik niet meer... het was een kennis van Rik. Ik kon haar niet.
Raadsheer: Ja. Toen u met de politie daarover sprak had u een manier om haar aan te duiden, toen noemde u haar 'dat mokkeltje'.
Geurt Roos: Ja, zoiets ja.
Raadsheer: Ja. Wist u wat ze deed voor de kost?
Geurt Roos: Ik hoorde van Rick dat ze prostituee was.
Raadsheer: En wist u wat voor contact zij met Rik had, wat de relatie was?
Roos: Nee, Rik had toentertijd zoveel vrouwen.
Raadsheer: Rik had veel vrouwen?
Roos: Ja.
Raadsheer: Dat café, weet u nog hoe dat heette?
Roos: Moezel.
Raadsheer: Moezel? Dat is in Utrecht?
Roos: Ja.
Raadsheer: Kwam u er vaak?
Roos: Ik kwam er af en toe als ik Rik nodig had, dan spraken we daar regelmatig af.
Raadsheer: Ja. Met wie had u nou die avond die afspraak?
Roos: Met Rik.
Raadsheer: Met Rik, om daar even wat te drinken?
Roos: Ja.
Raadsheer: Had u nog de bedoeling om met Rik daar dingen te bespreken?
Roos: Ook.
Raadsheer: Wat zakelijke dingen?
Roos: Ja.
Raadsheer: Dat moest ook gebeuren die avond?
Roos: Ja. Ik was daar omdat ik een vraag had aan hem, maar dat stond los van die dame.
Raadsheer: Dat stond los van die dame?
Roos: Ja.
Raadsheer: Heeft Rik nog gezegd of hij een afspraak had met haar in dat café?
Roos: Volgens mij niet. Die vrouw kwam uit het niets in ene keer daar zitten.
Raadsheer: Dat is uw beleving dat ze uit het niets kwam?
Roos: Ja.
Raadsheer: Ik vraag het aan u en als dit uw herinnering is, neem ik dat van u aan. Er zijn verschillende dingen over gezegd, en of ze er nu wel of niet was omdat ze een afspraak had....
Roos: Dat staat me niet meer bij.
Raadsheer: Dat staat u niet bij... ehm, dus u zat daar aan het tafeltje met Rik en kwam zij daar bijzitten?
Roos: Ja... letterlijk.
Raadsheer: Ziet u zichzelf daar nog zitten in het café, de plek en al dat soort meer?
Roos: Nee, dat niet meer.
Raadsheer: Dat niet meer?
Roos: Nee.
Raadsheer: Maar u was wel met Rik al in gesprek? Ze herinnert u het zich?
Roos: Ja.
Raadsheer: Ja ehm... en nou vertelde u hoe dat vervolgens ging. Laten we dat nog even rustig doornemen. Wat vroeg ze nou precies?
Roos: Ehm, op een gegeven moment pikte ik uit het gesprek op of hij mensen wist om iemand te vermoorden.
Raadsheer: Of hij mensen wist om iemand te vermoorden?
Roos: Ja. En toen maakte ik een opmerking: Ja, dat kost je 50 ruggen.
Raadsheer: Dat zei u? Nam u deel aan dat gesprek?
Roos: Toen nam ik deel aan het gesprek, ja.
Raadsheer: Meteen van het begin af aan?
Roos: Nee, want Rik was effe met die vrouw bezig en toen hoorde ik dat en ik dacht: 'Het kennie gekker worden'.
Raadsheer: Ja... ja, want ze richtte zich in eerste instantie tot Rik?
Roos: Ja.
Raadsheer: En ehm, heeft ze nog meer dingen gezegd? Wat precies? Om wie bijvoorbeeld zou het gaan?
Roos: Voor zover ik weet niet, bij wat ik nu nog weet. Misschien heb ik toen anders verklaard?
Raadsheer: Maar wat u nu nog weet: Ze vroeg of hij iemand wist?
Roos: Ja, of woorden van die strekking, ik weet het niet precies, maar woorden van die strekking vroeg zij.
Raadsheer: Ja. En vroeg zij ook naar de prijs?
Roos: Nee, op een gegeven moment nam ik deel aan het gesprek, ik denk: wat is dat nou voor een idioot? Wie komt er nou de kroeg inlopen: Hé jongen, weet je iemand om iemand te vermoorden?
Raadsheer: U kende haar niet hè, zei u, heeft u later nog gehoord hoe ze heette?
Roos: Nee ik... ja... nee.
Raadsheer: Nee.Wist u of ze iets had met Rik Lam?
Roos: Nee.
Raadsheer: Wat is er daarna eigenlijk gebeurd?
Roos: Toen zei ik tegen Rik: Als ik die 50 ruggen heb, dan kopen we alletwee een mooie auto, en eh... hahaha! Ik doe helemaal niks voor dat wijf.
Raadsheer: Hm... hoe heeft dat gesprek al met al geduurd, denkt u?
Roos: Ik denk een half uurtje of zo.
Raadsheer: Een half uurtje? Ja. Is het de hele tijd daarover gegaan?
Roos: Ja, toen zij daar was wel ja. Maar helemaal precies weet ik het ook niet meer. Op een gegeven moment moest ik op het bureau komen en toen wisten ze mij precies te vertellen wat daar gebeurd was en ik denk: 'Oh... ik wil niet in een moordonderzoek meelopen'.
Raadsheer: Ja... ja, daar wil ik het zo nog even met u over hebben hoe die ondervraging van u tot stand is gekomen, hoe dat gegaan is, maar u zegt: Dat gesprek heeft een half uurtje geduurd?
Roos: Ja, in mijn beleving...
Raadsheer: Ja, ja... en hoe bent u toen uit elkaar gegaan? Ging zij van tafel? Of één van u, hoe is dat gegaan?
Roos: Volgens mij is ze toen weer weggegaan.
Raadsheer: Het café uit?
Roos: Ja. Als u me nu vraagt, is ze met Rik meegegaan, dan weet ik dat niet meer.
Raadsheer: Nee. Ehm... ik stelde u de vraag net al, maar ik wil nog even precies van u weten of er namen zijn genoemd? Is er een naam genoemd namens iemand voor wie zij kwam? Weet u of het voor haarzelf was, of voor een ander?
Roos: Er staat mij niet bij of zij dat gezegd heeft.
Raadsheer: Eh nee, en de naam die vermoord moest worden, is die genoemd?
Roos: Dat weet ik niet... dat weet ik niet.
Raadsheer: Heeft u later begepen wie het beoogde slachtoffer was?
Roos: Toen ik er op het bureau over gehoord werd ja.
Raadsheer: Toen pas? Toen pas heeft u een naam gehoord?
Roos: Ja.
Raadsheer: Weet u de naam nog?
Roos: Tonny van Maurik?
Raadsheer: Ja. Is dat de naam die u gehoord heeft?
Roos: Voor zover ik mij kan herinneren niet, maar als ik dat toen anders heb gezegd, dan zal iemand die woorden wel in mijn mond hebben gelegd.
Raadsheer: Ja, ja, alles kan natuurlijk, hé, Maar mijn vraag is: Heeft u op een gegeven moment begrepen over wie zij het mogelijk heeft gehad?
Roos: Wat ik mij weet te herinneren, op dat moment niet, maar als ik anders verklaard heb...
Raadsheer: Ja, en begreep ik nou net dat u de naam van het slachtoffer gehoord had op het politiebureau?
Roos: Als ik de naam genoemd heb, dan hebben ze me daar er misschien mee geconfronteerd? Want hun wisten mij te vertellen dat die vrouw het café binnen gekomen was, ze wisten me alles te vertellen, dus wat moet ik dan gaan ontkennen?

Tot zover het verhoor.

De raadsheren gingen nog na bij Geurt Roos hoe dat eerste contact nou tot stand is gekomen, tussen hem en de politie. Roos kon zich namelijk niet herinneren dat hij de politie benaderd zou hebben. In zijn beleving is hij in Utrecht op het politiebureau geconfronteerd en heeft hij niet in Haarlem zelf de politie benaderd omdat 30 dagen verlenging van voorlopige hechtenis hem verkeerd uit zou komen en mogelijk informatie zou hebben over de moord op Tonny van Maurik die 8 dagen daarvoor was geliquideerd. Dat zou in een PV staan van een politieman. Ook Rik Lam beweerde zoiets dinsdag. Maar Geurt Roos kon de hele gang van zaken na bijna 21 jaar echt niet meer reconstrueren.

De advocaten van Pinny Song, Jesse Remmers en Nan Paul de B. hadden ieder nog enkele vragen voor Roos. Veel vragen waren echter al gesteld door het Hof en OM. Belangrijk voor de verdediging van Pinny Song was om donderdag boven water te krijgen of Karin Swager in café de Moezel op verzoek van Pinny Song zou zijn geweest. Uit dit verhoor is daar niets van gebleken. Ook Roos had overigens net als Rik Lam de indruk dat Karin Swager stijf stond van de coke. Roos vertelde dat hij de indruk dat Swager onder het gesprek een keer naar de toilet ging om te snuiven. Namen heeft hij tijdens het gesprek niet gehoord.

Op de vraag van advocaat-generaal Mr. Posthumus hoe Roos had begrepen dat het vandaag over de zaak Tonny van Maurik zou gaan, antwoordde Roos dat hij dat begrepen had uit stukken op internet, met name op Bondtehond. Dat zal ongetwijfeld kloppen. Over de zaak Song heb ik namelijk best veel verslagen gepubliceerd.

Een greep o.a. daaruit: 10 september 2009 , 11 september 2009 , 12 september 2009 , 12 maart 2010 , 19 mei 2010 , 7 juni 2011 , 9 juni 2012 , 7 maart 2013 , 11 februari 2014 .

Overigens had Roos nog niets gelezen over de zitting van dinsdag, omdat hij nogal verbaasd reageerde toen hij in de pauze uit mijn mond vernam dat Rik Lam dinsdag reeds was gehoord. 'Was Rik ook hier?! En, was hij nog groot?', vroeg Roos. Ik grapte: 'Vergeleken bij jou niet'. De brede Roos moest grijnzen...

Het Hof sloot het getuigenverhoor af, bedankte de getuige, waarop Geurt Roos kon vertrekken.

Op 3 maart gaat het proces verder.

Bondtehond

vrijdag 28 juni 2013

'Een Amerikaan zou zeggen: 'Bring them to Justice'

De liquidaties in de Staatsliedenbuurt hebben veel stof doen opwaaien in het Amsterdamse, met name in het Marokkaanse milieu. Vrijdag vond in de Bunker een zogeheten Pro-forma zitting plaats met een van de hoofdverdachten, Anouar Benhadi aka 'Popeye', die volgens het openbaar ministerie in de Audi RS4 zou hebben gezeten en de slachtoffers onder vuur zou hebben genomen, waarbij twee dodelijke slachtoffers vielen. De rechtbankvoorzitter leidde de zitting in door de verdachte mede te delen dat hij niet tot antwoorden verplicht was en wees hem erop dat er nog geen inhoudelijke behandeling plaats zou vinden. De officier las de volgende strafbare feiten voor.


Volgens officier van justitie Mr. Maaike Bienfait wordt Anouar primair verdacht van: (1) primair moord in vereniging op de 21-jarige Saïd el Yazidi en de 28-jarige Youssef Lkhorf en subsidiair de medeplichtigheid aan deze moorden, (2) primair poging tot moord op Benaouf Adaoui aka 'Ben' en een of meer andere personen die in de Range Rover zaten en subsidiair de medeplichtigheid aan de poging tot moord op 'Ben' en een of meer andere personen, (3) primair de poging tot moord op twee motoragenten en subsidiair de medeplichtigheid aan de poging tot moord op twee motoragenten en (4) het voorhanden hebben van een doorgeladen vuurwapen op 19 maart 2013 in Amsterdam.

De de rechtbank besliste als volgt: dat Anouar Benhadi aka 'Popeye' (33) nog maximaal 90 dagen in hechtenis blijft wegens vermeende betrokkenheid bij de liquidaties in de Staatsliedenbuurt op 29 december jl. De rechtbank vond dat er voldoende ernstige bezwaren en gronden bestaan om de verdachten langer vast te houden en stelt dat de rechtsorde zodanig geschokt is dat de rechtbank besloten heeft dat in elk geval in deze fase voortzetting van de voorlopige hechtenis gerechtvaardigd is, onder meer om het OM gelegenheid te bieden het onderzoek af te ronden. Deze beslissing is conform aan de eis van het openbaar ministerie.

De officier verzocht namelijk aanhouding van de zaak omdat het een groot en complex onderzoek betreft dat nog niet is afgerond. Ze verzocht daarom Anouar Benhadi tenminste maximaal 90 dagen in hechtenis te houden. Thans verblijft de verdachte, die in 1980 is geboren, in de EBI te Vught. Officier van justitie Mr. Bienfait las vervolgens gedetailleerd voor waarvan deze verdachte beschuldigd wordt. Ze sprak van 'een grove, uiterst gewelddadige liquidatie', waarbij de daders 'militaire, pantser-doorborende munitie' hebben gebruikt. Er wordt onderzoek gedaan naar meerdere daders. Politie en justitie gaan uit van een dadergroep van 5 tot 7 man. Inmiddels zitten 3 verdachten reeds vast: Adil Adouchbak, die op 24 januari 2013 is gearresteerd, Hamza Belhadj, die afgelopen vrijdag in Marokko is gearresteerd en momenteel wacht op overlevering en de nu aanwezige Anouar Benhadi. Hij zit sedert 21 maart 2013 in voorlopige hechtenis.

Ook zit vermeend doelwit Benaouf Adaoui vast, die zich op de avond van de liquidatie in gezelschap bevond van de beide slachtoffers, en heeft een verklaring afgelegd. Hij verklaarde 'Popeye' te hebben herkend vóór deze zijn bivakmuts opzette in de Audi, vlak voor het schieten met de Kalashnikov's gebeurde. Het OM beschouwt deze verklaring als 'buitengewoon belastend'. Zeker in combinatie met de andere sporen, waaronder DNA en glassplinters, waarvan met stellige zekerheid wordt aangenomen dat dit glas van de Audi is, van waaruit van binnen naar buiten is geschoten. Er is DNA aangetroffen op de hoofdsteunen en voorstoel van de gebruikte Audi. Het gedeeltelijke DNA-profiel matcht met dat van Anouar Benhadi. Verder zijn er tipgevers die tegen de politie hebben gezegd dat Benhadi een van de schutters is geweest.

Daarnaast moeten er ook nog veel verklaringen worden uitgewerkt, onder andere van buurtbewoners en medeverdachten. Gelet op het grote aantal sporen verwacht het OM niet dat het onderzoek binnen afzienbare tijd zal worden afgerond. Het gegeven alibi door Benhadi moet ook nog worden onderzocht. Hij heeft op 25 april voor het eerst een uitgebreide verklaring afgelegd. Die vormt aanleiding om 'vanzelfsprekend' nader onderzoek te doen, aldus de officier van justitie. Er zijn nog stukken die moeten worden uitgewerkt en verspreid. Voor de volledigheid deelde de officier mede dat er sinds 22 maart in belang van het onderzoek nog stukken aan het onderzoek worden onthouden die later zullen worden toegevoegd.

Benhadi's advocaat, Mr. Rutger Lonterman, die ik nog wel kende van het Holleeder-proces waarin hij destijds Richard Geisterfer bijstond, vond dat de aanwijzingen veel te dun waren om zijn cliënt nog langer vast te houden. Het is volgens de raadsman wel goed voor te stellen dat het OM er veel aan is gelegen zo'n ernstige zaak op te lossen en de daders tot lange gevangenisstraffen te veroordelen, een Amerikaan zou zeggen: "Bring them to Justice". Er staat heel veel op het spel. De gebeurtenis van 29 december 2012, Amsterdam - Wild West, de betreurlijke dodelijke slachtoffers, het schieten op de achtervolgende motoragenten, de hele maatschappelijke impact rechtvaardigen een maximale inzet van politie en justitie. Bij een maximale inzet schuilt het grote gevaar dat men daarin doorschiet. Tunnelvisie, het een beetje helpen van de waarheid, de nadruk leggen op belastend materiaal richting verdachte en mogelijk ontlastend materiaal links laten liggen, zijn reële gevaren die op de loer liggen, dat heeft de geschiedenis wel bewezen.

De raadsman ziet daar, nu hij een goede week de zaak heeft overgenomen van zijn voorganger, al tekenen van. Hij ziet dat er stukken ontbreken en dat er maar een rechtstreeks bewijsmiddel is dat zijn cliënt aan de plaats delict koppelt en dat is de verklaring van Adaoui. "Maar ik heb hem niet", aldus Lonterman. "De verdediging krijgt maar mondjesmaat belastende snippers en daar moeten we het dan maar mee doen", beklaagde de raadsman zich. Als hij die verklaring van Adaoui nog niet eens heeft, dan houdt hij zijn hart vast. Wat staat er dan in die verklaring? Hij meent dat zijn cliënt gigantisch wordt beperkt in zijn mogelijkheden zich tegen de kennelijk belastende elementen die zouden voorkomen in de verklaring van Adaoui te verdedigen: "Daarvoor heb je wel het hele plaatje nodig".

Benhadi is op 19 maart aangehouden en ontkent iets met de zaak te maken te hebben. Hij zegt een alibi te hebben. Hij zou ten tijde van de schietpartij, zo verklaart hij op 25 april, in coffeeshop The Challenger hebben gezeten. Volgens Mr. Lonterman heeft justitie nauwelijks moeite gedaan om dit serieus te onderzoeken. De eigenaar zou pas op 11 juni, dus pas 5 a 6 weken later, zijn benaderd om hierover te worden gehoord. "Hoe kun je dan een onderzoek naar een alibi serieus nemen?": vraagt de raadsman zich onder meer af, als je pas zolang naderhand een poging hebt ondernomen de eigenaar en mogelijke andere getuigen te horen of het alibi klopt. En kennelijk heeft men het bij deze ene poging gelaten, weten we nu twee weken later. "Alleen al deze omstandigheid rechtvaardigt dat de rechtbank een einde maakt aan de voorlopige hechtenis", aldus Mr. Lonterman.

Maar al zou de rechtbank anders beslissen dan nog zou Benhadi volgens Mr. Lonterman om andere reden vrijgelaten moeten worden. Zo is het DNA-profiel een onvolledig DNA-profiel. Niet een Jasper S-je, om het maar zo te zeggen, aldus de raadsman. Het betreft een stuk minder hard DNA-spoor. Daarnaast wordt het aangetroffen op een hoofdsteun en niet op een wapen of een huls, dus het levert geen rechtstreekse link op met het schietincident.

Er zijn 36 glassplintertjes aangetroffen onder schoenen in een tuinhuisje van Benhadi dat zich vlakbij de vindplaats van de vuurwapens op een volkstuintjespark bevindt, maar er zijn 4 DNA profielen in die schoenen gevonden, waaronder van broer Ali van Benhadi, met een 2 maten kleinere schoenmaat, en 2 onbekend gebleven personen. En van 29 glassplinters is gebleken dat die niet van de Audi afkomstig zijn. En de verklaring van Adaoui is ook niet zo betrouwbaar, volgens de raadsman, want deze zegt pas een maand na het incident dat hij Popeye heeft gezien en herkend. Als hij dat nou meteen de 29e had gezegd tegen de meldkamer, van "Ik heb Popeye gezien. Hij had zijn bivakmuts niet op", dan had het 'een verklaring met kloten' genoemd kunnen worden, maar daarvan is nu geen sprake, aldus Mr. Lonterman. Het lijkt er volgens de raadsman op alsof hij dat op straat heeft gehoord. Een maand na het incident komt hij daar dan mee aanzetten, dat hij Benhadi ter plaatse zou hebben gezien. Die zou 'even geen bivakmuts op hebben gehad'? Zo zou Adaoui dwars door alle donkerte, door de licht uitstralende koplampen, door de voorruit heen, in alle stress van die gebeurtenis, cliënt in de ogen hebben gekeken.... Lonterman: Ik kan me er niets bij voorstellen...

De conclusie van Lonterman: Hij verzocht de rechtbank bij gebrek aan voldoende ernstige bezwaren de voorlopige hechtenis van zijn cliënt Anouar Benhadi op te heffen en het onderzoek naar het alibi naar de RC te verwijzen, met als reden: "Als politie en justitie geen onderzoek doen naar het alibi van cliënt, dan zal ik dat zelf bij de rechter-commissaris moeten doen... Daar wil ik het in eerste instantie bij laten".

De officier van justitie gaf vervolgens nog een lezing waar het in deze zaak om gaat en persisteerde bij haar verzoek de verdachte voor de duur van maximaal 90 dagen in hechtenis te houden.

De rechtbank besloot daar na een kort beraad dus gevolg aan te even, maar droeg het OM wel op er nog werk van te maken het alibi te onderzoeken.

Bondtehond

dinsdag 5 juni 2012

De commercialisering van het NFI

Forensisch adviseur, tevens columnist op deze site, Ruben Poppelaars is terug van "weggeweest". Poppelaars heeft het na het uitgeven van zijn boek 'Op dood spoor' en na aanvang van zijn nieuwe rechtenstudie een tijdje rustiger aan gedaan met schrijven. Kan ik me goed voorstellen. Er gaat immers veel tijd in zowel zijn baan bij Advocatenkantoor Kuijpers & van der Biezen als deze studie zitten. Daar hebben we dus alle begrip voor. Er waren afgelopen week echter wat interessante ontwikkelingen op gebied van forensische opsporing en het NFI. Goede reden om Ruben te vragen hier commentaar op te geven. Laten we hopen dat Ruben weer wat vaker tijd kan vinden. Altijd interessant wat hij ons te vertellen heeft.



Ruben Poppelaars: Met de nieuwe “Regeling taken NFI” is dit instituut een weg ingeslagen waar ik lang op gewacht heb. Zolang als ik het werk als forensisch adviseur verricht, heb ik me verbaasd over het feit dat het niet mogelijk was voor de advocatuur om rechtstreeks aan te kloppen bij het NFI. Gelukkig was ik niet de enige en zorgden onderzoeksinstituten als Verlilabs, IFS en TMFI de afgelopen jaren dat het voor de verdediging in strafzaken mogelijk was om forensisch onderzoek te laten verrichten. Deze laboratoria zijn mijns inziens onmisbaar geweest voor de equality of arms in een strafproces.

De overheid lijkt dit ook eindelijk in te zien, hetgeen deze regeling voort heeft gebracht. Het lijkt een voortvloeisel uit de “Wet Deskundige in Strafzaken” die in 2010 in werking is getreden en de verdediging al meer rechten heeft toegekend. Het is echter niet alleen de advocatuur die voordeel trekt uit deze nieuwe regeling. Het NFI plukt er ook de vruchten van. En dan doel ik niet alleen op het financiële voordeel dat zij eruit kunnen halen.

Van advocaten heb ik namelijk vaak vernomen dat zij twijfelden aan de onafhankelijkheid van het NFI. Dit gevoel heeft mij nooit echt verbaasd. Het NFI is immers een uitvoeringsorganisatie van ministerie van Veiligheid en Justitie en daarmee van het Openbaar Ministerie. De tegenpartij van de verdediging. De enige manier om iets gedaan te krijgen voor de verdediging was om dit via de zittende magistratuur te laten verrichten. Dit kostte echter onnodig veel tijd. Door de oude Taakbeschikking NFI had het OM een flinke vinger in de pap in het onderzoek dat bij het NFI uitgevoerd wordt.

Zoals ik al schreef, het vermoeden van partijdigheid van het NFI heeft mij nooit verbaasd. Echter, dit gevoel zag ik maar een enkele keer bevestigd worden in de onderzoeksresultaten van het NFI. Het onderzoeksinstituut verricht vrijwel altijd degelijke objectieve onderzoeken. Over de onafhankelijkheid van bepaalde conclusies heb ik wel nogal eens mijn twijfels. Dit is echter mijns inziens niet onder invloed van partijdigheid van het NFI, maar door eenzijdige informatieverschaffing die wordt gebruikt om in combinatie met onderzoeksresultaten conclusies te trekken. Het opsporingsapparaat bepaalt namelijk in grote mate welke informatie wordt verschaft aan de onderzoekers. Ik hoef u niet te vertellen dat er wel alle reden toe is te twijfelen aan de objectiviteit van hen.

De nieuwe regeling brengt hier een keer in. De verdediging kan kijken welke informatie zij van belang achten om het onderzoeksresultaat te interpreteren, dit voorleggen aan OM/RC en uitgaande van een juiste onderbouwing kan het NFI haar onderzoeksresultaten direct in het licht van deze informatie bezien. Via deze handelswijze kan de verdediging al veel bereiken, zonder dat zij hier kosten voor hoeven te maken. Als nadeel hiervan kan beschouwd worden dat de resultaten eveneens verstrekt worden aan het openbaar ministerie. Echter, indien de advocatuur zorgt voor een juiste informatieverschaffing op de juiste momenten, zal dit vrijwel altijd een positief effect hebben voor de verdediging en maakt het dus niet uit dat het OM de rapportage ook meteen krijgt.

Voorts is het feit dat het NFI voortaan rechtstreeks onderzoek kan doen voor de advocatuur zonder tussenkomst van het OM of de RC, weliswaar tegen betaling, goed voor het aanzien van het NFI. Voor wat betreft die betaling begrijp ik de reactie van de voorzitter van de NVSA Bart Nooitgedagt dat onvermogende partijen van deze mogelijkheid mogelijk geen gebruik kunnen maken wel. Echter, voor onderzoeken bij andere onderzoeksinstituten dient de advocatuur ook te betalen. Dus door de regeling wordt het NFI op gelijke voet gezet met andere onderzoeksinstituten en worden deze niet buiten spel gezet. Als er voor onderzoeken van het NFI niet betaald zou hoeven te worden terwijl dit wel zou moeten gebeuren bij andere onderzoeksinstituten, zouden deze namelijk buitenspel gezet worden. Dit zou een zeer onwenselijke ontwikkeling zijn. Het bestaan van verschillende onderzoeksinstituten zorgt namelijk voor een systeem van checks and balances die te allen tijde bewaard moet blijven. Het feit dat de advocatuur moet betalen voor de onderzoeken vloeit helaas voort uit de inrichting van de staat. Met de weg die de overheid in is geslagen door de verdediging meer rechten toe te kennen komt hier hopelijk op niet al te lange termijn nog een einde aan.

Tot slot wil ik nog een opmerking maken over de door Pim Volkers van Verilabs bekritiseerde stelling van NFI-directeur Tjark Tjan-A-Tsoi dat andere onderzoeksinstituten over minder onderzoeksmogelijkheden zouden beschikken. Net als Pim Volkers kan ik me met deze stelling niet verenigen. Alle onderzoeken die bij het NFI verricht kunnen worden, kan men net zo goed bij een ander onderzoeksinstituut laten verrichten. De deskundigenrapporten van andere instituten worden ter zitting niet minder gewaardeerd dan NFI-rapportages. Dit door de NFI-directeur genoemde voordeel van de nieuwe regeling lijkt mij derhalve dan ook uit de lucht gegrepen.
(Ruben Poppelaars)

Bondtehond

vrijdag 9 september 2011

Vrijspraak in het ‘boterhamzak-mysterie’

Een mooie uitspraak gisteren voor advocaat Jan Hein Kuijpers van advocatenkantoor Kuijpers & Van der Biezen . Van een eis van 10 jaar naar niks. Een rol hierin was weggelegd voor forensisch adviseur Ruben Poppelaars, tevens columnist op deze site.

Misdaadjournalist Hendrik Jan Korterink schrijft er het volgende over op zijn website:
Het gerechtshof in Amsterdam deed gisteren een belangrijke uitspraak over DNA als bewijsmateriaal, die waarschijnlijk heel wat gevolgen zal hebben. Het gaat over de zaak die in het boek ‘Op dood spoor’ van forensisch adviseur Ruben Poppelaars wordt behandeld in het hoofdstuk ‘het mysterieuze boterhammenzakje’.


Donderdagavond acht uur. In een huiskamer Maarssen ligt vader Ben op de bank te slapen, Jordi (18) en Roy (15) zitten televisie te kijken, moeder Ineke is boven aan het strijken. Jordi zit in een rolstoel, vanwege een ongelukje met voetballen.

De bel gaat, Roy doet open. Meteen duwt een man met een bivakmuts hem aan de kant en loopt naar de woonkamer. Voor de bank staat de man stil en schiet koelbloedig de slapende Ben neer. Jordi springt uit zijn rolstoel en begint met de dader te worstelen. Hij prikt de dader in zijn oog. De gemaskerde man blijft schieten en raakt Jordi in zijn schouder. Die voelt er niets van en vecht door.

Net voordat de man zich weet los te wringen, trekt Jordi een deel van zijn bivakmuts omhoog. Veel tijd om naar het gezicht te kijken heeft Jordi niet. De man draait zich meteen om en vlucht. De paniek in huis is groot. Ben leeft nog. Zijn vrouw belt de politie, hij wordt met een ambulance afgevoerd naar het ziekenhuis.

Jordi vertelt de politieagente dat hij tijdens de worsteling de dader in het oog heeft geprikt. De agente begrijpt dat er mogelijk DNA van de dader aan de vingers van Jordi zit en besluit een boterhammenzakje om de hand van Jordi te binden. Zo kan een eventueel DNA-spoor op de hand van Jordi niet weggeveegd worden en kunnen er ook geen nieuwe sporen op zijn hand ontstaan. Een forensisch assistent wordt opgeroepen om de sporen veilig te stellen.

Het NFI vindt twee volledige DNA-profielen. Het ene is van Jordi zelf, het andere kan van de dader afkomstig zijn. Er rolt een match uit met een man zonder vaste verblijfplaats die staat ingeschreven bij een daklozencentrum in Delft. In het boek van Poppelaars wordt hij Remond genoemd, zijn echte naam is Daniël M.

Remond wordt gearresteerd. Zijn signalement komt overeen met de beschrijving die Jordi heeft gegeven: een grote man met een grote neus, met een bobbel erop. Maar bij een zogenaamde Oslo-confrontatie herkent Jordi de man niet.

Op verzoek van de advocaat van Remond, Jan-Hein Kuijpers, onderzoekt Ruben Poppelaars wat er gebeurd kan zijn met het DNA-spoor: hoe komt dat van een zwerver in Delft terecht in Maarssen bij iemand waar geen enkele relatie mee is?

Een van de eerste vragen is: waar kwam het boterhammenzakje vandaan? Het kan zijn dat er al materiaal op het zakje zat voordat het om de hand van Jordi is gedaan. Vreemd genoeg staat er in het proces-verbaal niets over waar dit zakje vandaan is gekomen. Bij navraag zegt de agente dat ze het van Ineke heeft gekregen, maar die zegt dat de agente het zelf bij zich had en zij weet niet meer waar ze het vandaan had.

Lees verder bij de Misdaadjournalist

Bondtehond

donderdag 18 augustus 2011

'Meer delict gerelateerde informatie in een vingerspoor?'

Ruben Poppelaars, van Poppelaars & De Jongh - Forensic Consultancy, het forensisch adviesbureau dat is gehuisvest in advocatenkantoor Kuijpers & Van der Biezen in Den Bosch, heeft na een break van enkele maanden de pen weer opgepakt. Zoals ik u vertelde in mijn laatste artikel voor het zomerreces van de Passage-rechtbank heeft Ruben afgelopen jaar hard gewerkt aan zijn boek 'Op dood spoor'. De vaste lezers van dit blog hoef ik vast niet te vertellen dat het altijd weer interessant is wat hij ons weet te vertellen over forensische opsporingstechnieken. Dit maal reageert Ruben op een artikel over vingerafdrukken dat onlangs verscheen op de website van BBC News.    Bondtehond


Ruben Poppelaars: Enkele dagen geleden las ik het artikel “Fingerprint breaktrough offers new forensic evidence” over een ontwikkeling in het onderzoek van vingersporen. Tot op de dag van vandaag wordt bij het onderzoek aan vingersporen alleen gekeken naar het patroon van de papillairlijnen (de lijnen op je vingers). Als van een vingerspoor het patroon van de papillairlijnen op 12 zogenaamde dactyloscopische punten gelijk is aan dat van de verdachte en er geen verschillen worden aangetroffen, dan wordt geconcludeerd dat dit vingerspoor afkomstig is van de verdachte. Een papillairlijnenpatroon blijkt namelijk uniek te zijn (ik vind deze conclusie persoonlijk te ver gaan, nu dit naar mijn mening alleen gezegd kan worden als alle papillairlijnpatronen van alle mensen op de wereld bekend zijn, wat natuurlijk niet het geval is).

Dit zorgt ervoor dat de identificerende waarde van een “match” in dactyloscopisch onderzoek (vingersporenonderzoek) groter is dan een match bij DNA-onderzoek, waarbij de conclusie niet sterker kan zijn dan “de kans dat een willekeurig persoon dezelfde DNA-kenmerken heeft als die in het spoor is kleiner dan één op één miljard”. De kans dat er DNA van iemand wordt gevonden is echter een stuk groter dan dat een volledig vingerspoor van iemand wordt gevonden. De plaats van aantreffen van DNA zorgt er tevens voor dat dit vaak een hogere incriminerende waarde heeft dan een vingerspoor, waardoor DNA-onderzoek in het forensisch onderzoek van grotere waarde blijkt dan dactyloscopisch onderzoek.

In het artikel zegt de onderzoeker dat het ontwikkelde onderzoek meer informatie over een misdrijf zal kunnen verschaffen dan DNA-onderzoek. Met het nieuwe onderzoek kunnen namelijk stoffen zoals drugs, glijmiddel (van een condoom) of explosieven in een vingerspoor gedetecteerd worden. Naar verwachting kan het onderzoek over ongeveer drie jaar in gebruik worden genomen.

Dit onderzoek kan van grote waarde worden in het forensisch onderzoek. Het kan veel zeggen over de omstandigheden waaronder het vingerspoor is achtergelaten en het kan iets zeggen over de toestand van de persoon toen hij het vingerspoor achterliet. Als op een tafel waarop een vrouw is verkracht door een man welke een condoom omdeed een vingerspoor wordt gevonden waarin glijmiddel wordt aangetroffen, is dit een sterke aanwijzing dat dit vingerspoor afkomstig is van de dader. Ook het vinden van drugs in een delict gerelateerd vingerspoor kan informatie geven over de omstandigheden van het delict en over de persoon van de verdachte. Voor het objectieve forensisch onderzoek zal dit onderzoek dus een grote meerwaarde hebben.

Echter is forensisch onderzoek niet alleen maar objectief, maar vaak ook subjectief. In iedere zaak zullen onderzoekers keuzes moeten maken over welke sporen wel en welke niet veiliggesteld worden en/of verder onderzocht worden. Ook zie ik met enkele regelmaat dat sporen die de forensisch onderzoekers (van de politie) relevant achten zeer uitgebreid behandeld worden en de sporen die zij niet relevant achten nauwelijks of niet. Daardoor worden deze ook vaak nauwelijks of niet behandeld tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Dit kan ervoor zorgen dat de tunnelvisie van forensisch onderzoekers over wordt genomen door de juristen ter terechtzitting. Dit nieuwe onderzoek zal meer tunnelvisie tot gevolg hebben wat de kans vergroot dat relevante sporen over het hoofd gezien worden en verkeerde conclusies getrokken zullen worden.

Als bijvoorbeeld op een plaats delict van een zedenmisdrijf een vingerspoor gevonden wordt waarin sporen van glijmiddel zitten, is dit een sterke aanwijzing dat dit spoor delict gerelateerd is. Echter, dit is niet zeker. Misschien is het wel afkomstig van een persoon die eerder op die plek vrijwillige seks heeft gehad. Het onderzoek geeft namelijk resultaat bij onderzoek aan sporen tot 10 dagen oud. Het vinden van dit dactyloscopisch spoor zal de donor waarschijnlijk wel verdachte maken en andere sporen zullen minder aandacht krijgen in het onderzoek. Hierdoor kunnen sporen verloren gaan, die achteraf bezien cruciaal waren voor de waarheidsvinding.

Ook het aantreffen van sporen van drugs in een vingerspoor kan gemakkelijk tot tunnelvisie leiden. Het aantreffen van bijvoorbeeld cocaïne in een vingerspoor van een bepaald persoon kan ertoe leiden dat die persoon verdacht wordt van druggerelateerde criminaliteit. Maar die verdenking op basis van dit vingerspoor kan heel goed onterecht zijn. Wederom is onbekend hoe oud het vingerspoor is. Het spoor kan zijn veroorzaakt doordat de persoon cocaïne heeft gebruikt. Maar onbekend is in dat geval hoeveel tijd er zat tussen de inname van cocaïne door de donor van het vingerspoor en het achterlaten van het vingerspoor. De cocaïnesporen zullen namelijk tot enkele dagen na inname in het lichaam aangetroffen kunnen worden.

Het nieuwe onderzoek stelt alleen maar vast dàt er sporen van cocaïne in het vingerspoor zitten. Hoeveel cocaïne er in het spoor zit, kan hiermee niet onderzocht worden. Zo is het mogelijk dat de donor van het vingerspoor enkele dagen voor het achterlaten van het vingerspoor cocaïne heeft gebruikt. Ook is het mogelijk dat de donor helemaal geen cocaïne heeft gebruikt, maar het wel op zijn handen heeft gehad. Misschien heeft iemand wel met zijn handen in de coke gehangen nadat hij zijn handen op het toilet van de discotheek had gewassen. Uiteindelijk zal de conclusie van een positief resultaat zijn dat er sporen van cocaïne in het vingerspoor aangetroffen zijn, maar over waar het vandaan komt valt oneindig te speculeren. Concluderen dat het gerelateerd is aan druggerelateerde criminaliteit zal in ieder geval niet mogelijk zijn.

Dat men sporen van explosieven kan aantonen klinkt wederom veelbelovend en dat kan het ook zeer zeker zijn. Maar over welke sporen wordt dan precies gesproken? Explosieven bestaan vaak uit verschillende componenten en die componenten kunnen ook in andere stoffen voorkomen. Bovendien zullen sporen van explosieven ook op een later moment op een vingerspoor terecht kunnen komen. Een vingerspoor met sporen van explosieven op een plaats delict waar een explosie is geweest, zal niet veel mensen verwonderen. Ook hier lijkt mij dat men voorzichtig zal moeten zijn met conclusies trekken.

Al met al lijkt me deze ontwikkeling in het dactyloscopisch onderzoek belangrijk en zeer nuttig voor het forensisch onderzoek. Het vergroot de kans op tunnelvisie van forensisch onderzoekers naar mijn mening wel aanzienlijk. Gelukkig zal het nog drie jaar duren voordat de methode gebruikt kan worden. In die tijd zal er vermoedelijk genoeg literatuur verschijnen om deze vorm van tunnelvisie te voorkomen.
Ruben Poppelaars

woensdag 29 juni 2011

Ruben Poppelaars: Op dood spoor

Met enige trots kan ik u vandaag attent maken op een intressant boek dat afgelopen weken op de markt is gekomen van de jonge forensisch onderzoeker/adviseur Ruben Poppelaars van forensisch adviesbureau Poppelaars & De Jong - Forensic Consultancy. Nadat advocaat Mr. Jan Hein Kuijpers mij tijdens een zitting in de Bunker te Osdorp tipte, nam ik in december 2009 contact op met Ruben. Sindsdien is er een leuk contact onstaan en heeft Ruben een aantal keren zijn visie gegeven in zijn columns op dit weblog.


Bestellen? Klik op kaft of de banner rechts.

Ik herinner u aan dit eerste artikel waarin ik kennismaakte met Ruben. Maar ook aan de rechtszaak in verband met 'De kastmoord te Nuth' waarbij ikzelf aanwezig was in rechtbank Den Bosch, en waaruit prompt vrijspraak volgde voor de hoofdverdachte. Alle artikelen en columns vindt u HIER. U ziet het al, Ruben is een druk baasje, maar is desondanks weer volledig opgegaan in een nieuwe studie rechten nadat hij afgelopen jaar al met sucses is afgestudeerd als forensisch onderzoeker.

Als columnist was Ruben vanwege de werkzaamheden in zijn bedrijf, aan het boek en studies wat minder beschikbaar, maar zal aankomende tijd zijn pen weer wat regelmatiger proberen op te pakken. Tussen de drukke bedrijvigheden en studie door, zal hij ons na de zomer weer voorzien van columns over zijn professie Forensisch onderzoek.

Tot die tijd, raad ik u sterk aan 'Op dood spoor' te lezen. Lees hieronder alvast de inleiding van Ruben Poppelaars en het voorwoord van Mrs. Kuijpers en Van der Biezen.

De uitgever schrijft:
De jonge forensisch onderzoeker Ruben Poppelaars reconstrueert in Op dood spoor 13 recente cases uit de Nederlandse misdaadpraktijk. Nadat hij eerst de gepleegde misdaad heeft beschreven gaat Poppelaars uitgebreid in het onderzoek en de daaropvolgende straf zaak. Hij schuwt het niet om daarbij scherpe kritiek te uiten op de rechtsgang en de uitkomsten daarvan.

Dankzij goed gekozen terzijdes met inside informatie krijgt de lezer in Op dood spoor een uitstekend beeld van de forensische onderzoekspraktijk in Nederland. Poppelaars behandelt o.a.: de kastmoord te Nuth, een Nijmeegse zedenzaak, de Puttense moordzaak, twee roofmoorden en een liquidatie in het criminele milieu. Met een voorwoord door Mrs. Jan Hein Kuijpers en Arthur van der Biezen.

Inleiding door Ruben:
In dit boek worden dertien strafzaken behandeld, bestaande uit zeden-, moord- en doodslagzaken waarbij ik betrokken ben. Iedere strafzaak is anders en in iedere strafzaak worden andere fouten gemaakt. Dit boek behandelt dertien zaken waarin fouten gemaakt zijn. De zaken, gerangschikt op complexiteit, geven inzicht in het brede scala van fouten die in iedere fase van het forensisch onderzoek gemaakt kunnen worden. Het begint met het onderzoek op de plaats delict, gevolgd door onderzoek aan de veiliggestelde sporen en de resultaten hiervan, en eindigt met de interpretatie van de onderzoeksresultaten.

Na het lezen van dit boek zult u merken dat forensisch onderzoek niet zo eenvoudig is als televisieprogramma’s zoals CSI en Bones doen vermoeden. Forensisch onderzoek blijkt niet alleen maar vragen te beantwoorden. Het levert ook vaak niet-te-beantwoorden vragen op. Zo kan het forensisch onderzoek voor onverwachte problematiek in een strafzaak zorgen. Deze problematiek wordt in lang niet alle gevallen herkend, zelfs niet als men erop gewezen wordt. Dit kan rechterlijke uitspraken tot gevolg hebben, die op verkeerde gronden genomen zijn.

Op dood spoor probeert u bewust te maken van de waarde van het forensisch onderzoek. Het laat u zien hoe in dertien zaken het forensisch onderzoek is uitgevoerd en hoe het Openbaar Ministerie vervolgens tot de conclusie komt dat een bepaalde verdachte de dader is. De advocaat van de verdachte dient aan te tonen dat de verdachte onschuldig is. Ik heb bij deze zaken van de advocaat het verzoek gekregen of de forensisch technische sporen de onschuld van de verdachte kunnen aantonen. Werkend vanuit deze aanname leg ik het antwoord op deze vraag uit en kom ik vaak tot een andere conclusie dan het Openbaar Ministerie.
Dat zorgt soms voor verrassende resultaten.
Ruben Poppelaars

VOORWOORD   Door mr. Arthur van der Biezen

Mede als gevolg van verschillende rechtelijke dwalingen waarbij personen verdacht van zware levensdelicten, geheel ten onrechte, jarenlang onschuldig achter slot en grendel hebben moeten doorbrengen, staat het strafrecht enorm in de belangstelling en is het onderwerp van publiek debat en discussie. Meer en meer wordt de samenleving zich ervan bewust dat het strafrecht "mensenwerk" is en dat daar fouten gemaakt worden, soms zelfs grove fouten, waardoor mensen enorm onrecht wordt aangedaan. Het beeld van de alwetende vertrouwenwekkende rechter op wie blind gevaren kan worden, ligt inmiddels ver achter ons. Ter voorkoming van fouten en misslagen zoekt het rechtsbedrijf meer en meer zijn heil in "meetbare" en schijnbaar "objectieve" informatie, de modernste technische (opsporings)middelen worden gehanteerd bij de waarheidsvinding.  Het boek van de forensisch onderzoeker Ruben Poppelaars biedt een heldere kijk in de keuken van de praktijk van de "waarheidsvinding". Hoe gaat men in de praktijk van de opsporing nu met al die mooie technieken om die de wetenschap ons biedt? Wat blijft er van die "objectieve" betrouwbaarheid van sporen en technieken over als er op de werkvloer niet goed en zorgvuldig mee omgegaan wordt? Vragen die in dit boek aan de orde komen.

VOORWOORD   Door mr. Jan-Hein L.C.M. Kuijpers

Ruben Poppelaars, jong, enthousiast en eager. Zo kwam hij al weer enkele jaren geleden bij ons, Kuijpers & Van der Biezen Advocaten te 's-Hertogenbosch en Amsterdam, op gesprek. Ruben zocht een stageplaats in Amsterdam in het verband van zijn studie Forensisch Onderzoek. Van der Biezen en ik hadden nog nooit van die studie gehoord, maar toen Ruben had uitgelegd wat hij had geleerd en nog zou gaan leren, wisten we genoeg. Gezien zijn persoonlijkheid en achtergrond twijfelden Van der Biezen en ik geen moment. Wij wilden hem er graag bij hebben. Wij legden hem talloze strafzaken voor waar DNA-problematiek en de chain of proof, de bewijsvergaring, aan de orde waren. Hij controleerde, specificeerde en analyseerde en liet vervolgens zien waar de technische recherche en/of het NFI naar zijn inzicht steken hadden laten vallen. Ruben bleek, zo merkten wij, behalve jong, enthousiast en eager ook nog eens slim en creatief te zijn. Onontbeerlijke eigenschappen in de wereld van dood en verderf, onze wereld van het strafrecht.

Op ons adres in 's-Hertogenbosch richtte hij zijn forensisch adviesbureau Poppelaars & De Jong- Forensic Consultancy op. Naar mijn bescheiden mening een kantoor met een specialisme dat in de wereld van de strafrechtadvocatuur wel eens een gat in de markt zou kunnen invullen. Het is immers van belang, dat aanklagers en rechters er zoveel mogelijk van doordrongen raken dat de bewijskracht van een DNA-spoor in veel gevallen maar heel relatief is. Wij, raadslieden in strafzaken, hebben de indruk dat aanklagers en rechters soms worden verblind door de "1 op de miljard"- frase die in vele DNA-rapportages opdoemt. Daar moeten we vanaf en Ruben kan daarbij helpen. Tot op heden is Ruben verbonden aan ons kantoor en nu willen we hem niet meer kwijt. Hij is te waardevol gebleken. Als mens, maar ook als onze deskundige.

Het feit dat hij nu een boek heeft geschreven zegt veel. Over Ruben en over de materie die hij zich eigen gemaakt heeft. Maar ook over de kracht en het nut van die materie. Het is een naar mijn oordeel belangrijk boek dat in geen enkele strafrechtpraktijk zou mogen ontbreken. Aan de hand van praktijkvoorbeelden bestrijkt Ruben een groot deel van de biologische bewijsvergaring en de interpretatie van de resultaten van onderzoeken naar dat soort bewijs. Tenslotte sluit hij het af met rechterlijke beslissingen in zware strafzaken.

Zeer de moeite waard dus.



  Op dood spoor   € 19,95

Bondtehond

woensdag 1 september 2010

Waarschijnlijkheidsuitspraken over ontstaan sporen

Vandaag weer een interessant onderwerp in de reeks maandelijkse columns van mijn gastschrijver, forensisch adviseur Ruben Poppelaars van forensisch adviesbureau Poppelaars & De Jongh:

Ruben schrijft: Het forensisch onderzoek bestaat niet alleen uit het veiligstellen en het onderzoeken van biologische, chemische en fysische sporen. Ook de interpretatie van de sporen met behulp van de vindplaats en de onderzoeksresultaten is een erg belangrijk deel van het forensisch onderzoek. Deze interpretatie wordt in de praktijk gemaakt door de juristen. De officier van justitie heeft haar interpretatie, de advocaat de zijne en de rechters beslissen welke interpretatie de juiste is.


De forensisch onderzoekers assisteren bij het interpreteren van de sporen door aan te geven of een interpretatie die door de jurist is gemaakt, mogelijk of onmogelijk is. Als deze mogelijk is kan de forensisch onderzoeker een waarschijnlijkheidsuitspraak doen over deze interpretatie.

Sinds enige tijd gebruiken de forensisch onderzoekers van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) een bepaald statistisch model, het zogenaamde Bayesiaans model, om deze waarschijnlijkheidsuitspraak te kunnen maken. Door middel van het Bayesiaans model berekent de forensisch onderzoeker de kans dat een bepaald voorval zich heeft voorgedaan, gegeven de onderzoeksresultaten. Deze berekening maakt de forensisch onderzoeker twee keer. De ene keer betreft het “bepaald voorval” het scenario van het OM, de andere keer is het bepaalde voorval het scenario van de verdediging.

Deze berekening wordt bijvoorbeeld gedaan als er een DNA-spoor gevonden wordt. De forensisch onderzoeker onderzoekt het DNA-spoor teneinde een DNA-profiel te verkrijgen. Als hij dit heeft verkregen kan hij het profiel vervolgens vergelijken met het DNA-profiel van de verdachte. Als scenario van het OM kan dan genomen worden dat het DNA-spoor afkomstig is van de verdachte, het scenario van de verdediging zal dan zijn dat het DNA-spoor niet afkomstig is van de verdachte. Afhankelijk van hoe “compleet” het DNA-profiel is dat wordt gegenereerd uit het DNA-spoor heeft dit profiel een bepaalde zeldzaamheid. Als een volledig DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte zal uit de berekening van de forensisch onderzoeker komen dat het scenario van het OM meer dan een miljard keer waarschijnlijker is dan het scenario van de verdediging. Wanneer het DNA-profiel uit het spoor minder compleet is, zal deze waarschijnlijkheid minder groot zijn. Deze berekening is in grote mate objectief. Van een dusdanige berekening kan daarom vanuit gegaan worden dat deze klopt.

Minder objectief wordt het wanneer er bijvoorbeeld een krassporenvergelijking wordt gedaan bij bijvoorbeeld munitieonderzoek. Bij het verschieten van munitie zullen er krassporen op de hulzen ontstaan. Wanneer er twee hulzen worden gevonden kunnen de krassporen op de hulzen vergeleken worden om te achterhalen of deze met hetzelfde of verschillende vuurwapens zijn verschoten. Het resultaat van dit onderzoek wordt bepaald door de kennis en ervaring van de forensisch onderzoeker. Een conclusie zou daardoor kunnen zijn dat het veel waarschijnlijker is dat twee hulzen zijn verschoten met hetzelfde vuurwapen dan dat er twee verschillende vuurwapens zijn gebruikt om de hulzen te verschieten. Ondanks het feit dat deze conclusie een stuk subjectiever is, kan over het algemeen wel van dit resultaat uitgegaan worden en zal men merken dat wanneer verschillende deskundigen het onderzoek uitvoeren zij allen, in vrijwel alle gevallen, dezelfde conclusie trekken.

Nu betwist de advocaat niet altijd dat een biologisch spoor afkomstig is van zijn cliënt of dat twee hulzen verschoten zijn met één wapen. In het zogenoemde Meer en Vaart-verweer betwist de verdediging niet dat een spoor afkomstig is van zijn cliënt, maar wel dat het is veroorzaakt door het plegen van het delict. In dit geval zullen de scenario’s betreffende de afkomst van het spoor van het OM als de verdediging hetzelfde zijn. De scenario’s over het ontstaan daarvan zijn echter verschillend.

De kansverhouding die de forensisch onderzoekers berekenen zoals hierboven is weergegeven heeft daardoor weinig toegevoegde waarde.

Wanneer een Meer en Vaart-verweer wordt gevoerd wordt de forensisch onderzoeker regelmatig gevraagd om een berekening van de kansverhouding te maken tussen het scenario van het OM en de verdediging. Dit wordt dan ook regelmatig door de deskundige gedaan.

Bijvoorbeeld: Op een plaats delict van een schietincident wordt een vuurwapen aangetroffen waarop het DNA van dhr. X wordt gevonden. Het OM heeft het scenario dat dhr. X geschoten heeft en onderbouwt dit met het feit dat zijn DNA op het vuurwapen is aangetroffen. Dhr. X daarentegen zegt dat het vuurwapen van hem was maar dat het een week voor het schietincident gestolen is. Dat er geen DNA van iemand anders op het vuurwapen is gevonden is daarbij heel makkelijk te verklaren doordat de dader handschoenen droeg als hij het vuurwapen vastpakte.

Kan hierbij een waarschijnlijkheidsberekening gemaakt worden van welk scenario waarschijnlijker is?

Ik denk het niet. Welk scenario waarschijnlijker is, is namelijk van een aantal factoren afhankelijk. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld hoe vaak dhr. X het vuurwapen in zijn handen heeft gehad voordat deze gestolen zou zijn, of dhr. X een persoon is die gemakkelijk zijn DNA achterlaat - doordat hij bijvoorbeeld veel zweet of veel huidschilfers achter laat -, hoe lang dhr. X het vuurwapen al in zijn bezit had, hoe vaak degene die het vuurwapen heeft gestolen dit in zijn handen heeft gehad, waar de dief het vuurwapen heeft bewaard tot het schietincident, of de dief nieuwe handschoenen droeg, of handschoenen die hij al jaren in zijn bezit heeft.

Deze factoren spelen een rol in de waarschijnlijkheid van de scenario’s, maar kunnen niet betrokken worden omdat ze onbekend zijn. Daarom zal er ook geen waarschijnlijkheidsberekening gemaakt kunnen worden. Het is daarom niet aan de forensisch onderzoeker te beoordelen hoe waarschijnlijk de scenario’s zijn, maar aan de rechters.

Dit is een volledig fictief voorbeeld en het is heel goed mogelijk dat het NFI in een zaak als deze aan zal geven dat zij geen kansberekening kunnen maken. Mijn ervaring leert echter dat het niet zeldzaam is dat zij een waarschijnlijkheidsuitspraak doen terwijl belangrijke onbekende factoren niet in deze uitspraak zijn meegewogen.

Het NFI is van plan verder te gaan met hun waarschijnlijkheidsuitspraken door verschillende sporen te combineren bij het doen van waarschijnlijkheidsuitspraken over verschillende scenario’s. Dit brengt echter met zich mee dat ook hier veel factoren een rol zullen spelen die niet bekend zijn. Hier zal ik in mijn volgende column verder op ingaan.

Wat ik met dit betoog duidelijk wil maken is dat waarschijnlijkheidsuitspraken van forensisch onderzoekers lang niet altijd verantwoord zijn. Het is daarom ook zaak dat advocaten die te maken krijgen met dusdanige waarschijnlijkheidsuitspraken hier diep op ingaan. Een dusdanige waarschijnlijkheidsuitspraak kan namelijk veel effect hebben op het vonnis en naar mijn mening de waarheidsvinding ernstig nadelig beïnvloeden.
( Door Ruben Poppelaars )


Bondtehond

donderdag 1 juli 2010

Joran van der Sloot: Valse bekentenis of niet?

Gastschrijver Ruben Poppelaars laat deze week zijn licht schijnen over de moordzaak met verdachte Joran van der Sloot, betreffende de moord op de Peruaanse Stephany Flores. Als geen ander weet Ruben, die sinds kort officieel de titel forensisch onderzoeker mag voeren, na sucsesvol te zijn afgestudeerd, ons te wijzen op punten die vragen om degelijk forensisch onderzoek. Het zou niet de eerste keer zijn dat hij het bij het rechte eind heeft. Denk bv aan de vrijspraken die volgden na advies van Ruben Poppelaars bij twee verschillende moordzaken. Namelijk deze en deze.



Ruben schrijft deze week:
Heel de wereld kotst hem uit! Iedereen is ervan overtuigd! Joran van der Sloot heeft Stephany Flores vermoord! Net als Natalee Holloway! Over de hele wereld houdt de pers niet op over de moord op Stephany Flores. In de ogen van zo ongeveer iedereen in de Verenigde Staten, Zuid-Amerika, Australië en Nederland hoeft de rechtszaak eigenlijk niet meer gevoerd te worden want hij is toch wel schuldig. Hij heeft immers bekend!

De Nederlandse advocaat van Joran van der Sloot heeft zijn twijfels bij de bekentenis en stelt dat deze wel eens vals zou kunnen zijn. Hij zou deze valse bekentenis afgelegd hebben na ‘barbaarse’ verhoormethoden, zoals Joran ze zelf noemt.

Nu geloof ik meteen dat de verhoormethoden die ze in Peru op Joran van der Sloot hebben losgelaten ronduit barbaars zijn. Ik geloof dat ze hem van alles beloofd hebben en onder een enorme druk hebben gezet zodat hij alles heeft gezegd wat de politie wilde horen.

Jammer genoeg voor Joran is de bekentenis niet het enige bewijs dat er tegen hem bestaat. Ander bewijs is dat Stephany Flores in zijn hotelkamer is gevonden, dat op camerabeelden is te zien dat Joran van der Sloot samen met Stephany Flores zijn hotelkamer binnengaat en het bloed van Stephany Flores op het shirt van Joran van der Sloot. Deze combinatie van bewijs zorgt ervoor dat Joran van der Sloot heel wat uit te leggen heeft. Deze combinatie van bewijs zorgt er echter niet voor dat Joran van der Sloot geen recht heeft op een eerlijk proces!

In een eerlijk proces dient onderzocht te worden of de bekentenis van Joran van der Sloot vals is of niet. Maar hoe onderzoek je nou zoiets? Allereerst ga je de politieambtenaren natuurlijk verhoren om te horen wat zij zeggen over hun verhoormethode. Maar zij zullen echt niet zeggen dat zij een barbaarse verhoormethode toegepast hebben. Daarom moet ook nagedacht worden over andere onderzoeken die gedaan kunnen worden. Het forensisch onderzoek biedt hierin mogelijkheden.

Voordat ik hierover uitweid wil ik even terug naar het verleden. Terug naar een strafzaak die ook wereldberoemd is. De zaak van O.J. Simpson. Hij werd verdacht van de moord op zijn vrouw en haar minnaar. Belangrijke bewijzen tegen hem waren een handschoen en zijn sok.

Op zijn sok was bloed van zijn vrouw aangetroffen. Echter na onderzoek bleek dat het bloed betrof uit een laboratorium, aangezien de stof EDTA in het bloed verwerkt was wat ervoor zorgt dat bloed niet gaat stollen als het in reageerbuisjes opgeslagen wordt. Dit bewees voor de jury dat het bloed van O.J.’s vrouw door de politie op zijn sok was gesmeerd. In zijn tuin was een handschoen aangetroffen met bloed van zijn vrouw erop. De andere handschoen die bij het paar hoorde lag op de plaats delict. De rechercheur die de handschoen had gevonden was alleen toen hij deze vond en had geen toestemming om in de tuin te gaan zoeken. De verdediging verdacht de rechercheur ervan dat hij de handschoen in de tuin had gelegd en hem toen heeft ‘gevonden’. Hier ging de jury echter niet in mee, wat vrij opvallend is, aangezien O.J. Simpson deze handschoen niet eens paste. De politie heeft in deze zaak bewijs gecreëerd tegen O.J. Simpson. De reden hiervoor is volgens veler overtuiging racisme. De politieagent die de handschoen had gevonden had gezegd dat hij niet racistisch was, echter waren er tapes waarop te horen was dat deze rechercheur wel degelijk racistische opmerkingen maakte.

Wat probeer ik nu met dit voorbeeld te zeggen, en hoe heeft dit betrekking op Joran van der Sloot?

De politie wilde per se dat O.J. Simpson werd veroordeeld en heeft hiervoor bewijsmateriaal gecreëerd. Dit kan ook het geval zijn in de zaak van Joran van der Sloot. Er wordt een dood meisje aangetroffen in de hotelkamer van de persoon die iedereen verdenkt van moord. De Peruaanse politie kan zich het niet permitteren dat Joran van der Sloot vrijgesproken wordt, want heel de wereld is ervan overtuigd dat hij het wel gedaan heeft. Dus zou een beetje extra bewijs dan alleen het feit dat Stephany Flores in de hotelkamer van Joran gevonden wordt, zeer welkom zijn.

De eerste bewijsstukken zijn de camerabeelden van de camera die op Jorans kamer gericht stond, waarop te zien is dat Joran met Stephany zijn hotelkamer binnengaat, waarop te zien is dat Joran koffie gaat halen, waarop te zien is dat Joran zich buitensluit en waarop te zien is dat Joran zijn hotelkamer samen met al zijn spullen en een ander shirt aan verlaat. Maar wat staat er nog meer op de camerabeelden? Zijn er nog andere mensen binnen geweest? En zo ja, waarom is dit dan niet bekend gemaakt aan de maatschappij? Als er op de camerabeelden geen andere personen te zien zijn, kan dan uitgesloten worden dat er geen delen uit de opname zijn geknipt? Hier kan onderzoek naar gedaan worden.

En dan het shirt wat helemaal onder het bloed van Stephany Flores zou zitten. Is het niet mogelijk dat de Peruaanse politie, net als de politie heeft gedaan in de zaak tegen O.J. Simpson, zelf bloedsporen op het shirt van Joran heeft gecreëerd? Dit is te onderzoeken door allereerst naar de uiterlijke kenmerken van de bloedsporen te kijken. Zijn er bijvoorbeeld ronde bloedspatten op te zien? Als dit het geval is, kunnen deze hier niet op terecht zijn gekomen doordat hij haar heeft verstikt met zijn shirt, of doordat bloed uit haar neus op zijn shirt spatte na de klap die hij zou hebben gegeven met zijn elleboog. Een ronde bloedspat ontstaat namelijk alleen maar als de bloeddruppel in een hoek van 90º op het oppervlak belandt. In dit geval had het shirt dan op de grond moeten liggen, en moet er bloed op het shirt gedruppeld zijn. Dit zou totaal niet passen in de verklaring, dat ze zijn ontstaan door het verstikken met het shirt of door de klap die hij haar zou hebben gegeven. Vervolgens kan het bloed onderzocht worden op de stoffen die erin zitten. Stel nu dat ook hier de stof EDTA in het bloed zit. Dan geeft dat ook in deze zaak een zeer sterke aanwijzing dat de politie de bloedsporen zelf heeft veroorzaakt. Joran heeft ze dan in ieder geval niet veroorzaakt.

Over de vraag of Joran schuldig of niet schuldig is laat ik me niet uit. Wel vind ik het belangrijk dat iedereen, wat de wereld ook van hem of haar denkt, een eerlijk proces krijgt. Als het vermoeden bestaat dat Joran een valse bekentenis heeft afgelegd, moet dat onderzocht worden. Dit kan bijvoorbeeld op de manieren zoals ik hierboven uitgelegd heb. Als er mensen na Joran in de kamer zijn geweest, of als het bloed niet op het shirt gekomen kan zijn op de manier die Joran stelt, houdt de bekentenis van Joran van der Sloot geen stand. Er staat veel druk op de schouders van de Peruaanse politie en ik vind het niet zonder meer uit te sluiten dat zij bewijs tegen Joran zelf hebben gecreëerd of ontlastend bewijsmateriaal achterwege laten. Ik hoop dat de verdediging van Joran hier ook rekening mee houdt en daar onderzoek naar gaat doen.
( Door Ruben Poppelaars )

Bondtehond

vrijdag 4 juni 2010

Hoe moeten Forensisch Onderzoekers zich op de plaats delict gedragen?

Ruben Poppelaars van 'Poppelaars & de Jongh - Forensic Consultancy' schrijft elke maand een intressante en informatieve column over zijn professie, forensisch onderzoek. In mijn eerste artikel 'Forensisch adviesbureau gat in de markt' stelde Ruben zich aan ons voor. In het tweede artikel, een verslag van de rechtszaak 'De Kastmoord te Nuth', las u dat Ruben de advocaat adviseerde, waarop prompt vrijspraak volgde voor de tweede en dus onschuldige hoofdverdachte, na aanvankelijk tot 10 jaar te zijn veroordeeld. Vervolgens kon u hier de tweede column van Ruben Poppelaars lezen. Vandaag de derde column in de serie van Ruben m.b.t forensisch opsporing/onderzoek/advies. Hij schrijft: In mijn vorige column zijn fouten van de technische recherche behandeld in één specifieke zaak. Het is helaas niet zeldzaam dat er fouten worden gemaakt door de technische recherche waardoor sporen niet verder onderzocht kunnen worden of dat de resultaten niet gebruikt kunnen worden. Deze kennis is bij veel juristen ook wel aanwezig.


Doordat juristen niet forensisch technisch opgeleid zijn is het voor hen heel lastig te achterhalen of er fouten door de technische recherche zijn gemaakt, wat de fouten inhouden en wat het gevolg van deze fouten is.

Om de jurist van enige kennis te voorzien betreffende het forensisch technisch onderzoek is er verschillende literatuur geschreven door verschillende deskundigen over verschillende deskundigheden. Echter is er geen literatuur over hoe de technische recherche nu precies te werk dient te gaan. Wel wordt in het boek 'De essenties van forensisch biologisch onderzoek' van drs. A.J. Meulenbroek kort maar duidelijk ingegaan op de principes achter verschillende testen die op de plaats delict gebruikt worden om een indicatie te krijgen over wat voor soort biologisch spoor het gaat. Op basis van deze uitleg kan echter het werk van de technische recherche niet gecontroleerd worden, wat overigens ook niet de bedoeling is van dit boek.

Om uitgebreidere informatie te verkrijgen over de gedane onderzoeken op de plaats delict kan men de FT-normen/FO-normen (forensisch technische normen/forensische opsporingsnormen) nagaan, zoals ook in dit boek beschreven wordt. Maar wat is een FT-norm/FO-norm nu precies?

Een FT-norm/FO-norm beschrijft “een standaard werkwijze bij het onderzoeken en veiligstellen van forensische sporen en sporendragers. Deze standaard werkwijze beschrijft handelingen die kritisch zijn voor de integriteit van het spoor en de kwaliteit van het forensisch vervolgonderzoek”.

Kortom, de FT-normen/FO-normen zijn de protocollen van de technische recherche.

Vanaf nu zullen de normen aangeduid worden als FO-normen aangezien de FT-normen de verouderde variant is, die momenteel verbeterd worden tot FO-normen.

Voor een groot aantal handelingen zijn deze FO-normen ontwikkeld. Zo bestaan er op de volgende gebieden verschillende FO-normen:



De leden van de technische recherche zijn verplicht zich aan de FO-normen te houden, tenzij het niet anders kan. In dat geval moet in het proces verbaal aangegeven worden dat niet volgens de FO-norm gehandeld is en hoe wel te werk gegaan is.


In een proces verbaal van technisch onderzoek staat in veel gevallen kort vermeld dat men zich tijdens het technisch onderzoek aan de geldende FO-normen heeft gehouden. De juristen moeten hier simpelweg maar vanuit gaan. Nu is de advocatuur van huis uit niet heel sterk van vertrouwen in de leden van de politie. Het is voor een advocaat daarom van groot belang te weten aan welke uitgevoerde onderzoeken FO-normen zijn gebonden en of de onderzoekers zich hier ook aan hebben gehouden. Een simpele vermelding dat men zich aan alle geldende FO-normen heeft gehouden volstaat hier niet bij. Om voor de advocaat van de verdachte een indicatie te krijgen of de technische recherche zich aan alle voor het onderzoek relevante FO-normen heeft gehouden, zou hij in een proces verbaal van technisch onderzoek terug moeten lezen wat de technische recherche heeft gedaan zodat zij zich aan de FO-normen houden. Na het lezen van dit proces verbaal zou de advocaat nog het verzoek kunnen doen om de technische recherche te verhoren om inhoudelijke vragen te stellen omtrent het uitgevoerde onderzoek op de plaats delict.

Maar dan moet de advocaat wel de beschikking hebben over deze FO-normen, zodat hij zich er in kan verdiepen, waardoor hij de kwaliteit van het onderzoek goed kan testen. De FO-normen zijn op internet beschikbaar, namelijk op Politie Kennis Net, wat alleen toegankelijk is voor leden van de politie. De advocatuur heeft daardoor alleen maar de kans de FO-normen in te zien als hij ze opvraagt bij de officier van justitie, of zo nodig, na verzoek bij de rechtbank.

Het controleren van de technische recherche door advocaten is van groot belang aangezien fouten bij de technische recherche niet zeldzaam zijn. Het is daardoor onbegrijpelijk dat de advocaten niet te allen tijde de FO-normen in kunnen zien. Openbaarheid van de FO-normen voor advocaten zorgt voor een integer forensisch onderzoek. Dit zou bijvoorbeeld gerealiseerd kunnen worden door deze normen op de website van de Orde van Advocaten te plaatsen, waarin advocaten in dienen te loggen om informatie te downloaden.
(Ruben Poppelaars - Poppelaars & de Jongh - Forensic Consultancy)

Bondtehond

vrijdag 7 mei 2010

Niet ontvankelijkheid na verpesten forensisch onderzoek?

Zoals aangekondigd, hier de tweede column van Ruben Poppelaars van forensisch adviesbureau Poppelaars & de Jongh - Forensic Consultancy. Afgelopen jaar is Ruben voor zichzelf begonnen en houdt kantoor in advocatenkantoor Kuijpers en van der Biezen in Den Bosch. Bij onze eerste ontmoeting vertelde de Forensisch onderzoeker/adviseur al e.e.a over zijn ambities. Spraakmakende zaken waar hij aan meewerkte liepen goed af voor de cliënten, zoals bij de rechtszaak ivm de liquidatie van Victor t'Hooft in Den Haag, alsook de Kastmoord te Nuth, waarbij de verdachten in beide gevallen, o.a. door het forensisch onderzoek opnieuw tegen het licht te houden, zijn vrijgesproken. Hiermee toonde Ruben eens en temeer het belang van goed (her-)onderzoek aan.


Ruben Poppelaars schrijft: Donderdag 29 april heeft het hof van ’s-Hertogenbosch de echtgenoot van Marga van Diessen, Hans L., veroordeeld voor 20 jaar cel, nadat de advocaat-generaal 18 jaar had geëist en de advocaat, mr. Arthur van der Biezen, had gepleit voor niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie door een opeenstapeling van vormverzuimen en onzorgvuldigheden op zowel juridisch als forensisch gebied, zoals dat de verdediging niet de kans heeft gehad om een tegenonderzoek te laten verrichten omdat de sporen onzorgvuldig waren behandeld of vernietigd, waardoor het scenario van de verdediging niet getoetst kon worden. Subsidiair pleitte de verdediging voor vrijspraak omdat er te veel twijfel was over wat zich nu precies heeft afgespeeld.

Met een uitspraak die hoger is dan de eis van de advocaat-generaal moge het duidelijk zijn dat het hof niet met de verdediging meeging. Volgens het hof was het onder meer de schuld van Hans dat het onderzoek bemoeilijkt is, doordat hij het lichaam van het slachtoffer twee maanden in de Belgische Ardennen heeft laten liggen.

In mijn betoog ga ik in op een aantal onzorgvuldigheden in het forensisch onderzoek. Hierbij heb ik het nog niet over de juridische vormverzuimen en onzorgvuldigheden, welke ook meer dan eens plaatsgevonden hebben.

Eerst zal ik kort vertellen wat er in deze zaak is gebeurd. Aan het begin van de zomer in 2006 geeft Hans zijn vrouw Marga Van Diessen op als vermist bij de politie. Twee maanden later rijdt Hans naar de Ardennen. Hierbij wordt hij gevolgd door de politie. De politie ziet dat Hans zijn auto in de Ardennen parkeert, het bos in loopt en met een pakket in landbouwplastic het bos uit komt lopen, welke hij in de kofferbak van zijn auto legt. Dan rijdt Hans weg, Duitsland in, waar hij door een Duits arrestatieteam wordt aangehouden. Hier blijkt dat in het in landbouwplastic ingepakte pakket een stoffelijk overschot bevat, wat later het stoffelijk overschot van zijn vrouw Marga Van Diessen blijkt te zijn.

Hans vertelt dat hij twee maanden eerder met Marga naar de Ardennen was gegaan om hun huwelijk te bespreken. Ook had Hans een luchtbuks bij zich die hij daar wilde uitproberen. Zijn vrouw zou gestruikeld zijn en met haar hoofd op de loop terecht zijn gekomen, welke vervolgens afging. Hij heeft haar toen in het bos achtergelaten.

Dit is natuurlijk een verschrikkelijk verhaal en ik wed dat vele na het horen van dit verhaal denken, “levenslang opsluiten!!”. Echter wat blijkt nou later als het lichaam onderzocht wordt? In de schedel zit inderdaad een gaatje wat veroorzaakt is door de luchtbuks en het kogeltje hiervan wordt teruggevonden in de oogkas. Alleen kan dit, volgens verschillende deskundigen, niet dodelijk zijn geweest. Er zitten echter nog een aantal andere gaten en beschadigingen in de schedel welke de dood wel degelijk kunnen verklaren.

Het is dus van belang dat onderzocht wordt hoe deze gaten en beschadigingen zijn ontstaan, aangezien dit niet aansluit met het verhaal van Hans. En ook al is het nog zo verschrikkelijk wat Hans heeft gedaan, je kunt niet zomaar aannemen dat Hans ook de veroorzaker is van de andere gaten en beschadigingen in de schedel. Marga kan bijvoorbeeld ook overleden zijn door diervraat, of verdwaalde jachtmunitie.

Om deze mogelijkheden te onderzoeken is een goed onderzoek van de plaats delict van groot belang. En hier ging het al fout. Toen de surveillance-eenheid van de politie Hans aan het observeren was toen hij de pakketten in landbouwplastic in zijn kofferbak legde hebben ze deze plek, nadat Hans weg was gereden, gemarkeerd met een steen. Een plek in het bos markeren met een steen, om deze plek later terug te vinden lijkt mij nu niet de meest praktische oplossing. Deze plek hadden ze natuurlijk moeten markeren met iets waar geen honderdduizend andere exemplaren van in dat gebied liggen!

De volgende dag is de politie teruggekomen om de vermoedelijke plaats delict te onderzoeken. Hierbij is gezocht naar de plek waar het lichaam twee maanden lang gelegen zou moeten hebben. Dit is gebeurd met speurhonden. Deze speurhonden hebben de plek echter niet gevonden. Dit terwijl de honden, volgens de begeleider van de honden, al gek worden van een druppeltje bloed. Je zou dus verwachten dat zo’n speurhond het wel zou ruiken als op een plek een lichaam twee maanden lang heeft liggen ontbinden.

Buiten het feit dat men geen idee had waar het lichaam had kunnen liggen hebben ze ook geen andere sporen gevonden. Je zou dus haast gaan denken dat de politie haar onderzoek bij een andere steen, dan die ze de vorige dag hadden neergelegd, is gestart. Het belang van dit onderzoek was dat men had kunnen onderzoeken of er munitiedelen op de plek waar het lichaam lag, lagen. Was dit het geval, dan had men kunnen onderzoeken wat voor type munitie dit was en of dit past bij de hypothese van de verdediging of het Openbaar Ministerie.

Twee dagen na het aantreffen van het slachtoffer wordt de sectie verricht. Normaal gesproken wordt een sectie verricht door een forensisch patholoog. Deze onderzoekt de verschillende weefsels om een uitspraak te kunnen doen over de manier van overlijden. Gaat het echter om een skelet, dan is het de bedoeling dat een forensisch antropoloog de sectie verricht. In dit geval was het lichaam van Marga geskeletteerd maar is de sectie verricht door een forensisch patholoog. Weliswaar in het bijzijn van een forensisch antropoloog in opleiding, maar deze heeft geen rapport uitgebracht.

De forensisch patholoog heeft verklaard dat de gaten en beschadigingen in de schedel de dood kunnen verklaren, en dat er aan de rest van het lichaam niets te zien was. Hierdoor heeft de Officier van Justitie besloten alles behalve de schedel vrij te geven en is het skelet, behalve de schedel, een week na het aantreffen gecremeerd. Hierdoor is aanvullend onderzoek aan het skelet onmogelijk geworden. Dit was voor de verdediging wel van belang omdat er gericht gezocht had kunnen worden naar sporen van diervraat en naar microscopisch kleine deeltjes die vrijkomen bij verschoten munitie. Ook dit valt voor de verdediging dus niet meer te onderzoeken.

Over de ontstaanswijze van de gaten in de schedel valt weinig te zeggen. Verschillende deskundigen in Nederland, België en de Verenigde Staten hebben zich erover gebogen, maar ze kunnen er weinig zinnigs over zeggen. Het kan door kogels zijn veroorzaakt, maar ook door klappen op het hoofd. Over de mogelijke veroorzaker van de gaten kan wellicht meer gezegd worden als er naar microscopische deeltjes op de schedel gezocht wordt. Dit is ook gedaan en hierbij zijn verschillende metaaldeeltjes aangetroffen. Het ontstaan van deze metaaldeeltjes kon op verschillende manieren verklaart worden, mede door een inslag van jachtmunitie.

De deskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut geven echter ook aan dat de beschadigingen bevuild zijn met metaaldeeltjes uit hun airconditioning en het cirkelzaagje waarmee de beschadigingen zijn uitgenomen. Hierdoor is de onzekerheid over de ontstaanswijze van de gaten in de schedel nog groter geworden. We weten namelijk niet of de deeltjes die aangetroffen zijn van de veroorzaker van de beschadigingen afkomstig zijn of van de gebruiksvoorwerpen van de onderzoekers zijn. Dus ook dit onderzoek kan geen bijdrage leveren aan het onderzoek van de verdediging.

Zoals gezegd was het lichaam van Marga verpakt in landbouwplastic. Onderzoek hieraan zou iets kunnen zeggen over de hypothese van de verdediging. Als er sprake was van verdwaalde jachtmunitie zouden er namelijk verschillende gaatjes in, en microscopische metaaldeeltjes van de munitie op, het landbouwplastic aangetroffen moeten worden. Bij diervraat zouden hier kenmerkende krassen van op het plastic komen.

Het landbouwplastic is in eerste instantie door de technische recherche onderzocht. Deze heeft het plastic tot twee maal toe schoongemaakt met water en zeep! Om de stank eruit te krijgen! Dit is natuurlijk een cruciale fout, want als er microscopische deeltjes op het plastic zaten, zijn deze nu wel weggewassen, of in ieder
geval verplaatst! Het landbouwplastic wordt vervolgens uitgevouwen en bekeken. Hierbij is gebleken dat er kleine gaatjes in het landbouwplastic zaten en er krassen in het plastic zaten welke veroorzaakt zouden kunnen zijn door dieren.

Het landbouwplastic is hierom naar het Nederlands Forensisch Instituut gestuurd om verder onderzoek te laten verrichten aan de gaatjes, zodat gekeken kan worden of deze zijn veroorzaakt door jachtmunitie. De deskundige heeft vervolgens verklaard dat de gaatjes kunnen zijn ontstaan door een schietproces maar kan daar geen zekerheid over bieden. Hierover kon onderzoek aan microscopisch kleine sporen uitkomst bieden. Dit is, ondanks het vele schoonmaken van het plastic, gebeurt en er zijn sporen aangetroffen die van munitie afkomstig konden zijn. Deze sporen konden echter ook zijn ontstaan tijdens het onderzoek van de technische recherche aangezien de ruimte waarin het plastic is onderzocht ook gebruikt werd als schiethal, en het hier dus bomvol schotresten ligt! Dus ook na onderzoek van het landbouwplastic kon niets gezegd worden over de hypothese van de verdediging.

Zoals hierboven blijkt, is het forensisch onderzoek fout gegaan op de vermoedelijke plaats delict, aan het slachtoffer en aan het materiaal waarin het slachtoffer verpakt was. Nu kun je je afvragen wat hier uiteindelijk het belang van is. Hans reed met het stoffelijk overschot van zijn vrouw in de kofferbak en heeft bekend dat hij haar in het bos had achtergelaten na haar, per ongeluk, door het hoofd te hebben geschoten. Dit kun je reden genoeg vinden om aan te nemen dat hij die andere gaten ook wel zal hebben veroorzaakt.

Dit weet je alleen niet zeker. En alle manieren om te onderzoeken hoe het gebeurt kan zijn, zijn verpest door het ongelooflijk slechte forensisch onderzoek. Hans heeft hierdoor weinig kans om aan te tonen dat hij die andere beschadigingen in de schedel niet heeft veroorzaakt. Als hij die gaten niet heeft veroorzaakt is hij ook niet degene die haar gedood heeft. Hans heeft daarom geen eerlijk proces gehad hetgeen in strijd is met het Europees Verdrag van de bescherming van de Rechten van de Mens.

Ook al vind je dat de hypothesen van de verdediging te onwaarschijnlijk zijn, kun je je ook afvragen hoe integer de Nederlandse rechtstaat is als het Openbaar Ministerie, waar de politie onderdeel van is, zo ongelooflijk veel en cruciale fouten mag maken, zonder dat hier consequenties aan verbonden worden. Het feit dat zowel de rechtbank als het Hof hebben geconstateerd dat er verzuimen en onzorgvuldigheden hebben plaatsgevonden maar dat deze niet ernstig genoeg zijn om daaraan consequenties te verbinden, wekt de indruk dat het voor de politie helemaal niet uitmaakt of ze hun werk fatsoenlijk uitvoeren of niet. Als ze iets ‘goed’ doen, wat vaak in het nadeel van de verdachte is, wordt het meegenomen in het proces en als ze een onderzoek verpesten, maakt dit niet uit en worden hier geen consequenties aan verbonden.

Hierdoor zullen deze fouten in het vervolg weer makkelijk gemaakt worden. Dat de professionaliteit van de technische recherche twijfelachtig is, is bij mij al een tijdje bekend. Maar of dit op deze manier ooit gaat veranderen, betwijfel ik hierdoor ook steeds meer. Ook dit vind ik eigenlijk al reden genoeg om het Openbaar Ministerie in deze zaak niet ontvankelijk te verklaren. Als dit gebeurd zou zijn, zou het bij de politie pijnlijk duidelijk worden wat een prutswerk ze in deze zaak hebben geleverd, en is de kans een stuk groter dat ze dit in het gevolg proberen te voorkomen. Met grote belangstelling wacht ik het standpunt van de Hoge Raad in deze zaak af.
-Door Ruben Poppelaars-

Bondtehond

donderdag 22 april 2010

De Kastmoord te Nuth - Vrijspraak hoofdverdachte na onderzoek Forensic Consultancy

Twee weken geleden informeerden wij u over de kastmoord in Nuth, waarin Ruben Poppelaars van Forensic Consultancy , op verzoek van Mr. Landerloo van Corten advocaten, had geadviseerd. Het technisch bewijs, wat eerder voor het grootste deel van de overtuiging van de rechtbank had gezorgd dat Paul M. medeplichtig was aan de doodslag van Jonathan Kennedy, bleek toch niet zo veel te zeggen als dat de rechtbank dacht. Vandaag heeft het hof in ’s-Hertogenbosch mede daardoor besloten Paul M. vrij te spreken van het tenlastegelegde mede plegen van doodslag. Wel werd hij veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, wegens een poging tot zware mishandeling, aangezien Paul M. wel had verklaard dat hij het slachtoffer tegen het hoofd had geslagen. De patholoog-anatoom heeft echter verklaard dat dit geen bijdrage heeft geleverd aan het overlijden van Jonathan.


Dat het slaan tegen het hoofd in verband staat met het overlijden van Jonathan acht het hof niet bewezen. Doordat de tijdsmarge waarin het slachtoffer overleden moest zijn, groter was dan de rechtbank in eerste instantie dacht, kan het slachtoffer uren later dan de klap in het gezicht, overleden zijn. Deze tijdsmarge had de rechtbank berekend doordat er nog voedsel in de maag zat, en dit niet kon als het slachtoffer uren na
de klap overleden zou zijn. De rechtbank had hier echter geen rekening gehouden met het soort voedsel, wat in dit geval langzamer de maag doorliep dan ander voedsel, en de alcoholconsumptie van het slachtoffer voor het overlijden wat nog eens voor extra vertraging van het doorlopen van voedsel door de maag zorgde.

Ook de overtuiging, die de rechtbank had, dat er heel veel schoonmaakwerkzaamheden zijn verricht om bloed weg te poetsen bleek in hoger beroep onhoudbaar. Niet alle bloedsporen in de woning bleken van het slachtoffer en van het vermeende sleepspoor was niet duidelijk wie de donor was. Over de hoeveelheid bloed die weg was gepoetst kon ook al niets gezegd worden, dus of er veel schoonmaakwerkzaamheden
waren verricht is helemaal niet bekend.

De rechtbank was van mening dat aangezien er DNA van Paul M. op een schuurspons was aangetroffen en er ook bloed van het slachtoffer op de spons aangetroffen was, Paul M. wel met de dood te maken moest hebben. Echter bleek dat de hoeveelheid bloed op de spons heel klein was en dat helemaal niet bekend was van wie dat bloed was. Of dit in verband stond met de dood van Jonathan is daardoor ook onduidelijk.

Als laatste was er een kleine hoeveelheid bloed van het slachtoffer op een van de sokken en een schoen van Paul M. aangetroffen. Het is alleen onduidelijk hoe dit bloed hierop gekomen is. Omdat er heel veel mogelijkheden waren, kon het hof niet zomaar aannemen dat dit door het plegen van het misdrijf was gebeurd.

De andere verdachte, Roy M., is wel veroordeeld tot 9 jaar gevangenisstraf. Het hof achtte het wettig en overtuigend bewezen dat Roy M. het slachtoffer opzettelijk door middel van messteken om het leven had gebracht. Het hof rekent het Roy M. zwaar aan dat hij wist dat het lichaam verborgen was in de kast en dat hij hiervan niets had gezegd toen hij de moeder van het slachtoffer telefonisch sprak. Daardoor konden de familieleden niet op een waardige manier afscheid nemen van Jonathan Kennedy.
-Ruben Poppelaars-


Tot zover het verslag wat Ruben Poppelaars me opstuurde vanmiddag. Het is natuurlijk een geweldige opsteker voor de Forensisch onderzoeker/adviseur. Zijn bedrijf is nog jong, maar als hij al in zo'n vroeg stadium tot zo'n geweldig resultaat komt middels zijn expertise in deze spraakmakende strafzaak, dan belooft dat veel. Volgens Mr. Jan Hein Kuijpers, die ik afgelopen week even sprak in De Bunker bij het liquidatieproces, en in wiens kantoor Forensic Consultancy is gehuisvest, gaat het zeker goedkomen met Ruben Poppelaars. Na het interview wat ik had met Ruben, en twee weken geleden een hele dag bij een strafzaak te hebben gezeten in het Hof van 's Hertogenbosch, kan ik niet anders zeggen dat ik mij volledig aansluit bij de mening van Mr. Kuijpers. Ruben zal voor ons vanaf vandaag ook maandelijks een artikel schrijven met betrekking tot forensisch onderzoek. Dat wordt interessant. Hou Bondtehond en Crimesite dus in de gaten.

Door Bondtehond