Google+ Google+ Bondtehond bij het liquidatieproces: Waarschijnlijkheidsuitspraken over ontstaan sporen Google+

woensdag 1 september 2010

Waarschijnlijkheidsuitspraken over ontstaan sporen

Vandaag weer een interessant onderwerp in de reeks maandelijkse columns van mijn gastschrijver, forensisch adviseur Ruben Poppelaars van forensisch adviesbureau Poppelaars & De Jongh:

Ruben schrijft: Het forensisch onderzoek bestaat niet alleen uit het veiligstellen en het onderzoeken van biologische, chemische en fysische sporen. Ook de interpretatie van de sporen met behulp van de vindplaats en de onderzoeksresultaten is een erg belangrijk deel van het forensisch onderzoek. Deze interpretatie wordt in de praktijk gemaakt door de juristen. De officier van justitie heeft haar interpretatie, de advocaat de zijne en de rechters beslissen welke interpretatie de juiste is.


De forensisch onderzoekers assisteren bij het interpreteren van de sporen door aan te geven of een interpretatie die door de jurist is gemaakt, mogelijk of onmogelijk is. Als deze mogelijk is kan de forensisch onderzoeker een waarschijnlijkheidsuitspraak doen over deze interpretatie.

Sinds enige tijd gebruiken de forensisch onderzoekers van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) een bepaald statistisch model, het zogenaamde Bayesiaans model, om deze waarschijnlijkheidsuitspraak te kunnen maken. Door middel van het Bayesiaans model berekent de forensisch onderzoeker de kans dat een bepaald voorval zich heeft voorgedaan, gegeven de onderzoeksresultaten. Deze berekening maakt de forensisch onderzoeker twee keer. De ene keer betreft het “bepaald voorval” het scenario van het OM, de andere keer is het bepaalde voorval het scenario van de verdediging.

Vervolg Crimesite:
Deze berekening wordt bijvoorbeeld gedaan als er een DNA-spoor gevonden wordt. De forensisch onderzoeker onderzoekt het DNA-spoor teneinde een DNA-profiel te verkrijgen. Als hij dit heeft verkregen kan hij het profiel vervolgens vergelijken met het DNA-profiel van de verdachte. Als scenario van het OM kan dan genomen worden dat het DNA-spoor afkomstig is van de verdachte, het scenario van de verdediging zal dan zijn dat het DNA-spoor niet afkomstig is van de verdachte. Afhankelijk van hoe “compleet” het DNA-profiel is dat wordt gegenereerd uit het DNA-spoor heeft dit profiel een bepaalde zeldzaamheid. Als een volledig DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte zal uit de berekening van de forensisch onderzoeker komen dat het scenario van het OM meer dan een miljard keer waarschijnlijker is dan het scenario van de verdediging. Wanneer het DNA-profiel uit het spoor minder compleet is, zal deze waarschijnlijkheid minder groot zijn. Deze berekening is in grote mate objectief. Van een dusdanige berekening kan daarom vanuit gegaan worden dat deze klopt.

Minder objectief wordt het wanneer er bijvoorbeeld een krassporenvergelijking wordt gedaan bij bijvoorbeeld munitieonderzoek. Bij het verschieten van munitie zullen er krassporen op de hulzen ontstaan. Wanneer er twee hulzen worden gevonden kunnen de krassporen op de hulzen vergeleken worden om te achterhalen of deze met hetzelfde of verschillende vuurwapens zijn verschoten. Het resultaat van dit onderzoek wordt bepaald door de kennis en ervaring van de forensisch onderzoeker. Een conclusie zou daardoor kunnen zijn dat het veel waarschijnlijker is dat twee hulzen zijn verschoten met hetzelfde vuurwapen dan dat er twee verschillende vuurwapens zijn gebruikt om de hulzen te verschieten. Ondanks het feit dat deze conclusie een stuk subjectiever is, kan over het algemeen wel van dit resultaat uitgegaan worden en zal men merken dat wanneer verschillende deskundigen het onderzoek uitvoeren zij allen, in vrijwel alle gevallen, dezelfde conclusie trekken.

Nu betwist de advocaat niet altijd dat een biologisch spoor afkomstig is van zijn cliënt of dat twee hulzen verschoten zijn met één wapen. In het zogenoemde Meer en Vaart-verweer betwist de verdediging niet dat een spoor afkomstig is van zijn cliënt, maar wel dat het is veroorzaakt door het plegen van het delict. In dit geval zullen de scenario’s betreffende de afkomst van het spoor van het OM als de verdediging hetzelfde zijn. De scenario’s over het ontstaan daarvan zijn echter verschillend.

De kansverhouding die de forensisch onderzoekers berekenen zoals hierboven is weergegeven heeft daardoor weinig toegevoegde waarde.

Wanneer een Meer en Vaart-verweer wordt gevoerd wordt de forensisch onderzoeker regelmatig gevraagd om een berekening van de kansverhouding te maken tussen het scenario van het OM en de verdediging. Dit wordt dan ook regelmatig door de deskundige gedaan.

Bijvoorbeeld: Op een plaats delict van een schietincident wordt een vuurwapen aangetroffen waarop het DNA van dhr. X wordt gevonden. Het OM heeft het scenario dat dhr. X geschoten heeft en onderbouwt dit met het feit dat zijn DNA op het vuurwapen is aangetroffen. Dhr. X daarentegen zegt dat het vuurwapen van hem was maar dat het een week voor het schietincident gestolen is. Dat er geen DNA van iemand anders op het vuurwapen is gevonden is daarbij heel makkelijk te verklaren doordat de dader handschoenen droeg als hij het vuurwapen vastpakte.

Kan hierbij een waarschijnlijkheidsberekening gemaakt worden van welk scenario waarschijnlijker is?

Ik denk het niet. Welk scenario waarschijnlijker is, is namelijk van een aantal factoren afhankelijk. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld hoe vaak dhr. X het vuurwapen in zijn handen heeft gehad voordat deze gestolen zou zijn, of dhr. X een persoon is die gemakkelijk zijn DNA achterlaat - doordat hij bijvoorbeeld veel zweet of veel huidschilfers achter laat -, hoe lang dhr. X het vuurwapen al in zijn bezit had, hoe vaak degene die het vuurwapen heeft gestolen dit in zijn handen heeft gehad, waar de dief het vuurwapen heeft bewaard tot het schietincident, of de dief nieuwe handschoenen droeg, of handschoenen die hij al jaren in zijn bezit heeft.

Deze factoren spelen een rol in de waarschijnlijkheid van de scenario’s, maar kunnen niet betrokken worden omdat ze onbekend zijn. Daarom zal er ook geen waarschijnlijkheidsberekening gemaakt kunnen worden. Het is daarom niet aan de forensisch onderzoeker te beoordelen hoe waarschijnlijk de scenario’s zijn, maar aan de rechters.

Dit is een volledig fictief voorbeeld en het is heel goed mogelijk dat het NFI in een zaak als deze aan zal geven dat zij geen kansberekening kunnen maken. Mijn ervaring leert echter dat het niet zeldzaam is dat zij een waarschijnlijkheidsuitspraak doen terwijl belangrijke onbekende factoren niet in deze uitspraak zijn meegewogen.

Het NFI is van plan verder te gaan met hun waarschijnlijkheidsuitspraken door verschillende sporen te combineren bij het doen van waarschijnlijkheidsuitspraken over verschillende scenario’s. Dit brengt echter met zich mee dat ook hier veel factoren een rol zullen spelen die niet bekend zijn. Hier zal ik in mijn volgende column verder op ingaan.

Wat ik met dit betoog duidelijk wil maken is dat waarschijnlijkheidsuitspraken van forensisch onderzoekers lang niet altijd verantwoord zijn. Het is daarom ook zaak dat advocaten die te maken krijgen met dusdanige waarschijnlijkheidsuitspraken hier diep op ingaan. Een dusdanige waarschijnlijkheidsuitspraak kan namelijk veel effect hebben op het vonnis en naar mijn mening de waarheidsvinding ernstig nadelig beïnvloeden.
( Door Ruben Poppelaars )


Bondtehond

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen

Aangepast zoeken